Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm CXXIV.

1.

Waare ons de Heer, zegge Isr'el, bly' van geest, Waare ons de Heer niet by, niet meê geweest, Toen ons het volk, oproerig, teegen kwam, Het hadd' gewis ons leevend lyf ontvleest, Gesleurd, verscheurd, op ons to heevig gram.

2.

Het water hadde ons boven 't hoofd gestaan; Een waterstroom hadde over ons gegaan, En onze ziel in 't woedend nat bedekt. Geloofd zy God, die gaf dat wy niet aan Hunn' tanden tot een roofaas zyn verstrekt.

3.

Want, eeven als een vogel uit het net Des vogelaars, is onze ziel ontzét: De strik verbrak; wy zyn daaruit geraakt, En, worden in des Heeren naam gerél, Die hémel, aarde en alles heeft gemaakt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove