Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Honderd-en-tiende Psalm.

1.

De Heere heeft gezeid tot mynen Heere: Kom, zet u aan myn' regterhand, o held! Tot ik de magt uws vyands plat verneêre, En hem voor u ten voetbank' hebb' gesteld.

2.

God zal uw' staf der sterkte uit Sion zenden, En zeggen: kom, beheers uw' vyand nu. Ten dage uws heirs zal 't volk zig derwaarts wenden, Gereed, bekleed met heiligheid voor u.

3.

De dageraat zal uwen jeugddauw baaren, God, dien het nooit zal rouwen, zwoor: gy zyt Een priester in alle eeuwen, tyden, jaaren, Naer de orde van Melchizedek gewyd.

4.

De Heere, tot uw' regterhand gezéten, Zal koningen in zynen toorn verslaan, Den heidenen 't gepaste recht toemeeten; Hy zal 't alom van lyken vol doen staan.

5.

Het opperhoofd van wyde en verre streeken Zal hy verslaan, doen komen tot den val, En op den weg zelf drinken uit de beeken, Tot hy dies 't hoofd om hoog verhéffen zal.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove