Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XCI.

1. Die in des Hoogsten schuilplaats is Gezéten, zal vernagten In schaduw en behoudenis Des sterksten: 'k zal hem achten Myn toevlugt, burgt myns hoopens; dan Zal hy u van de laagen Des vogelvangers redden, van De pest en veege plaagen.

2.

Hy zal, daar alle uw' hoop op was, U met zyn' vlerken dekken; Zyn' waarheid zal u een' rondas En beukelaar verstrekken. Gy zult geen' nagtschrik, ja, by daag Geen' pylen, boog of peezen, Gy zult geen' veege pest, die plaag, Der duisternisse, vreezen,

3.

Geen kwaad dat 's middags woed en brult. God zal 'er duizend vellen Aan uwe slinkerzy', gy zult Tien duizend and'ren tellen Ter rechterhand geveld; mitsdien Zal 't doch tot u niet komen; Gy zult het slegs met de oogen zien, Het loon zien der onvroomen:

4.

Wyl gy myn toevlugt zyt, o God! Den hoogsten Heer der Heeren Hebt gy gesteld ten burgt en slot: Geen onheil zal u deeren. Geen' plaag zal nad'ren tot uw' tent': Hy zal zyn' eng'lenschaaren Beveelen, dat ze u tot den end' In uwen weg bewaaren.

5.

Zy zullen, dat ge uw' voet niet stoor, U draagen op de handen; Gy zult den leeuw, hoe fel en groot, Den adder, scherp van tanden, En jongen leeuw en draak vertreên: Ik zal hem t' aller tyden, Zegt God, wyl hy my lieft alleen, Uithelpen en bevryden.

6.

'k Zal hem (hy kent myn' naam en eer) Op eene hoogte zetten; Hy zal my roepen, ik hem weêr Verhooren, op hem letten; Ik zal in bangheid by hem, staan, Hem hulp en eer bewerken, Met langen lévenstyd verzaân, Myn heil hem doen bemerken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.