Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm CXIII.

1.

Haléluja! gy die den Heer' Ten dienste staat, looft, looft zyne eer; Gods naam zy eeuwiglyk gepreezen; Van daar de zon ter kimme uit stygt, Tot daar zy weêr ter needer zygt Zy 's Heeren naame lof beweezen.

2.

De Heere is boven 't heidendom; boven 's hémels hoogte alom Is hy in heerlykheid en waarde. Wie is als onze God, zeer hoog Gezéten, en zeer laag het oog Neêrslaande, in hémel en op aarde?

3.

Die de armen uit het stof opbeurt, Uit slyk heft, die, nooddruftig, treurt, En by 's volks prinsen stelt in eere; Door wien de onvrugtb're vrugtbaar raakt, Wyl hy ze een' blyde moeder maakt Van kind'ren. Looft nu, looft den Heere.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove