Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XCIX.

1. God regeert, dies beeft Alle volk dat leeft: Want hy zit alsins Tussen Cherubins. De aard' beweeg' zig, God, Groot in Sions slot, Is, verhéven, boven Alle yolk te looven.

2. Dat uw' grooten naam, Vreeslyk, heilig t' zaam, Dat aan 's konings kragt Lof zy toegebragt, Hem die recht gericht, Billykhéden stigt, Recht, gerechtighéden Wrogt in Jakobs stéden. 3. Buigt tot 's Heeren eer' Voor zyn' voetbank neêr, Wyl hy heilig is. Mozes was gewis Op Aärons trap Onder 't priesterschap, Samuël in 't midden Van die God aanbidden. 4. Tot hem riepen zy, Toen verhoorde hy, Sprak tot hen weêrom In een' wolkkolom; Zyn' getuig'niskragt Namen zy in acht, En 't bevél ten léven, Hen door hem gegeeven. 5. Heer! gy hebt ze voort Gunstiglyk verhoord, En doch wraak gedaan Over hun bestaan. Komt, verheft Gods eer, Buigt voor Sion neêr: Dat gebergte is veilig, Is, naast God volheilig.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove