Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm CXLIII.

1.

O Heer! verhoor myn' smeekgebéden, Naer uwe oprechte en trouwe réden; Gaa met uw' knegt niet in 't gericht: Want niemant zal, daar toegetreeden, Rechtvaardig zyn voor uw gezigt.

2.

De vyand volgt my op de hielen, Vertreed my, wil my gants vernielen; Hy legt my in de duisternis, Als die voorlang al grafwaarts vielen, Zodat myn geest bezweeken is.

3.

Myn hert is in my gants verslaagen; Ik denk, ik peins aan de oude dagen; Ik spreek ook, om my zelven nu Uw' wonderwerken voor te draagen, En sprei myn' handen uit tot u.

4.

My dorst na u, als dorre streeken; Hoor haast: myn geest is schier bezweeken; Wend, Heere! uw oog niet van my af: Wyl ik dan waare vergeleeken By hen die daalen in het graf.

5.

Maak dat ik 's morgens hoore uw' zeegen: Want op u steun ik; maak uw' wégen Aan my bekend; myn' ziel is zeer Tot u verhéven; help my teegen Myn' vyand: by u schuil ik, Heer!

6.

Leer my naer uwen wil te streeven, En wil uw' goeden geest my geeven Om door een effen land te treên: O Heere! doe myn' ziel weêr leeven, Ter liefde van uw' naam alleen.

7.

Voer myne ziel, o God der Goden! Om uw' gerechtigheid uit nooden; Roei, gunstig, uit, wie my bevegt; Breng om elk die my zoekt te dooden: Want ik, o Heere! ik ben uw knegt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove