D.
Daar is geen God, zegt dwaashert in 't gemeen.
14
Daar is geen God, zegt dwaashert in 't gemeen.
53
De heem'len en 't gespan
19
De Heere heeft gezeid tot mynen Heere
110
De Heere is groot en pryzenswaard;
48
De Heer regeert, bekleed met majesteit,
93
De heid'nen zyn in uw bezit gekomen;
79
De koning is verheugd, o Heer!
21
Denk, Heere! aan David en zyn leed;
132
Der Goden God, de hoogste in daad en naam,
50
Des booswigts overtreeding spreekt
36
Des Heeren naam met vreugdegalmen
33
Die in des Hoogtsten schuilplaats is
91
Doe recht, en twist myn' twistzaak teegen
43