Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XCIV.

1. O God, o Heere, God der wraaken! Verschyn met glans; gy die de zaaken Der aarde richt, verhef u, Heer! En breng het loon den trotsen weêr. Hoelang nog zal van vreugde, o God! Van vreugde opspringen 't booze rot?

2.

Hoelang uitgieten? vinnig spreeken? De onrechte roemryk 't hoofd opsteeken? Zy trappen, Heere! uw volk tot gruis, Verdrukken 't erfdeel van uw huis; Zy dooden weeduw, vreemdeling En weezen met hunn' moorders kling.

3.

Zy zeggen smaadlyk: deeze werken Zal Jakobs God nooit zien, nooit merken. Ontzinden! dwaazen! merkt eens aan: Wanneer zult gy verstand verstaan? Die 't oor plant, hoort die niet misschien? Die 't oog maakt, zou die zelf niet zien?

4.

Zou die de heid'nen, hoe vermeeten, In tugt houd, die den mens leert weeten, Niet straffen? ja, God weet gewis Dat 's mensen denken iedel is. Welzaalig dien gy tugtigt, Heer! Zodat hy uit uw' wetten leer',

5.

Ter rust' voor hem van kwaade dagen; Tot snoodaard werd' ten kuil gedraagen. De Heer zal nooit zyn volk en erf Verlaaten laaten in 't verderf: Wyl 't oordeel weêr tot recht zal gaan, En alle oprechten daar na staan.

6.

Wie za1 zig, teegen die my kwellen, Booze onrechtwerkers, voor my stellen? Waar' my van God geen' hulp betoond, Ik hadd' de stilte schier bewoond. Zeide ik: myn voet, Heer! wankelt; gy, Vol goedheid, ondersteunde my.

7.

Wierd ik inwendig vol gedagten, Uw' troost gaf myne ziel weêr kragten. Zou met u t' zaam gaan 't schaêgericht? Die moeite voor een' wet verdicht? Zy komen teegen 't vroom gemoed, Verdoemen het onschuldig bloed.

8.

God was loch 't hoog vertrek myns bouwens; God was de steenrots myns vertrouwens: Hy zal hun onrecht, hoog in top, Weêrkeeren doen op hunnen kop. God zal ze in hun boosaardig woên Verdelgen, zal ze t' zaam verdoen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove