Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm CXIV.

1.

Toen Israël Egipte, toen de stam Van Jakob 't volk van vreemde spraake ontkwam, Is God met kragt verscheenen; Heeft Juda tot zyn heiligdom gesteld, Gaf Isr'el zyn gebied en gants geweld; De zee, die 't zag, vlood heenen.

2.

De vloed Jordaan ging rugwaarts, wyl 't gebergt' Als rammen sprong, 't geheuvelte, als gevergd Ten dans der schaapejongen. Wat vlood gy? zee! Wat keerde uw' loop? Jordaan! Wat spoorde u dus, gebergte en heuvels! aan Tot ramme- en lamm'resprongen?

3.

Beef, aarde! voor 't vermogend oogenlicht Van Jakobs God, beef voor het aangezigt Des Heeren aller Heeren, Die zelf de rots in vloed verand'ren kon, Die in fontein en kille waterbron Den keisteen deed verkeeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove