Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

V.

Ik zag een jongeling en eene maegd, Twee kinderen der liefde, hand aen hand Getreden komen uit het bosch, en ginds Zich nedervlijen, onder 't weemlend dak Van wilgeboomen, op den zoom der beek.

Hij scheen nog jong, maer ouder toch dan Zij: Zijn voorhoofd was verheven, breed en blank; Zijn aenzicht zacht, schier vrouwlik zacht, maer toch Van ernstigheid omtogen; want ofschoon Er thans veel meer dan aerdsche zaligheid Dat wezen glansen deed, was daer nogtans Iets diep, iets dweepend in zijn blik, was daer Iets in den glimlach van zijn zoeten mond, Gelijk een plooi van bitterheid, - wellicht Daerin genepen door een vroege smert. En 't meisjen, o! de teedre blik, waermeê Hij haer aenschouwde, zegde: kind, ge zijt Zóo, als ik in mijn schoonsten droom, u nooit Heb durven droomen; 't ideael, dat ik Zoo lang, zoo vurig in mijn dichterziel Aenbeden heb, zijt gij, verwezentlijkt! En waerlik, ze was schoon de maged, als De droom eens dichters; ze was rank gelijk Een lelie uit de delling; ze was blozend Gelijk een zomerochtend: - en ze zag Met heure groote, bruin, beminnende oogen Op heur beminde, - en deze zag op haer; En beide bleven lang zoo, hand in hand, Lang oog in ooge, ziel in ziele, sprakeloos.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove