Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

VI.

Maer ik zat elken avond niet meer aen De venster. - De geneesheer zegde dat Ik, om hersteld te worden, noodig had Te wandlen; en ik moest dus wandlen gaen Met mijne moei. Niet verre van ons woon Was een warande, ho! een hof zoo schoon, Zoo rijkbelommerd, dat het licht der zon Slechts hier en daer, lieftintlend schijnen kon In zijne lanen; en daerheen geleidde Mijn moei mij steeds. Doch eens, dat wij er beide Op eene bank te rusten zaten, kwam Hij, - God, hij zelf! - daer aen gewandeld, nam Hij plaets aen onze zij, sprak hij ons aen.... Van wat hij zegde heb ik niets verstaen

Bijna; - ik was te zeer ontsteld; - maer toch Mij dunkt ik hoor zijn schoone stemme nog Waervan elk woord in mijne ziel weêrklonk, Alsof het uit den hemel nederzonk! En daegs daerna ontmoetten wij hem weêr Op de eigen bank, en dikwils nog nadien; En zijn gesprek beviel mijn moei zoo zeer, Dat zij hem eens verzocht te komen zien Naer heure bloemen: en zoo wierd hij dra Een vriend des huizes; en zoo zag hij, ja! Hij zag wat lijden mij den boezem griefde; Hij zag dat ik niet enkel als een vrind Hem liefhad; en - hij schonk mij wederliefde! Ik was nu ook, nu ook van hem bemind!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove