Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

X.

‘Hun zoons en dochters, met hun kleinzoons en Kleindochters traden in 't priëel, en schaerden

Zich rondom de ouderlingen. Eene wijl Was alles stil. Toen kwam er uit den hoop Een knaep, een blonde blozaerd; en die las Voor grootvaêr en grootmoeder een gedicht, Een zang op hunne gouden bruiloftfeest. Maer ziet! dat was een roerend tafereel! Gelijk de stem eens engels klonk de tael Des kleinen hel en schuldloos: de ouden weenden En lachten te gelijk; en toen 't gedicht Was afgelezen, vlogen zoons en dochters, Met heel hun schaer van kindren, om den hals Der grijzen, die al snikkend zeiden: ‘God! Nu smaekten wij geluks genoeg op aerd!’ .................................... En, lieve, deze vrouw waert gij, die man Was ik; - en daerop was het dat ik dacht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove