II.
Zij klommen, klommen, sneller dan 't gedacht
Der menschen, altoos verder, hooger;
En elke slag der englenschacht
Deed als een vloed van sterrenloover,
Een regenboog van duizend kleuren, zacht
Wegspranklend stroomen langs de baen, waerover
Het meisje naer den hemel wierd gebracht.
Zij klommen, klommen: en van achter vloeide,
In breede plooien langs die tintelbaen,
Des Engels kleed, waerin al 't purper gloeide
Des morgends, naest het lichtkleed, dat haer tooide
Gelijk in stralen van de maen.
Zij klommen: en de blauwe diepte bruischte
Hen achterna, met wondre harmonij,
Alsof ze toonen wilde dat ze blij
Was om het paer, dat zoo heur kolk doorkruiste.
Zij klommen: en ze waren haest zoo hoog,
Dat hun het Vagevuer van verre,
Nauw toescheen als een vonklend stip, een sterre,
Die aen den laegsten hemelboog,
Zich in een kring van bloedig rood bewoog.