Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

II.

Zij klommen, klommen, sneller dan 't gedacht Der menschen, altoos verder, hooger; En elke slag der englenschacht Deed als een vloed van sterrenloover, Een regenboog van duizend kleuren, zacht Wegspranklend stroomen langs de baen, waerover Het meisje naer den hemel wierd gebracht. Zij klommen, klommen: en van achter vloeide, In breede plooien langs die tintelbaen, Des Engels kleed, waerin al 't purper gloeide Des morgends, naest het lichtkleed, dat haer tooide Gelijk in stralen van de maen. Zij klommen: en de blauwe diepte bruischte Hen achterna, met wondre harmonij,

Alsof ze toonen wilde dat ze blij Was om het paer, dat zoo heur kolk doorkruiste. Zij klommen: en ze waren haest zoo hoog, Dat hun het Vagevuer van verre, Nauw toescheen als een vonklend stip, een sterre, Die aen den laegsten hemelboog, Zich in een kring van bloedig rood bewoog.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove