Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

III.

‘Hier wil ik rusten!’ zei ik tot mijn vriend. ‘En droomen?’ vroeg hij, met een schalkschen lach. ‘En denken, en gevoelen,’ antwoordde ik. ‘Nu, dan tot straks’, kwam hij, ‘ik ga terwijl

Wat klappen met mijn kruiden en mijn bloemen, En met mijn lieve vogelen in 't bosch.’ En hij verdween in 't bosch; - en 'k zat alleen, Ik zat alleen, en zag, en hoorde, en dacht. ........................................ O! wat was al hetgeen ik zag en hoorde, En al hetgeen ik dacht, vol harmonij! Ginds, achter 't sluimrend loover, ging de zon Verdwijnen; en daer was de lucht gelijk Een zee van vuer, en hooger was zij goud Met roozen, en nog hooger peilloos blauw. Het woud was gansch met purper overdekt, En trilde, alsof het zich met weemoed en Met wellust overgaf aen d'afscheidskus, Waermeê de zon het kuste in 't ondergaen. De vlakte vóor mij lag in schemerlicht, En hulde hare bloemekens allengs In 't slaepkleed van een frisschen avonddauw. 't Was alles rust en stilte; alleen de beek Verhief heur lied soms in de wei, alleen Een vogel floot zijn deuntje soms in 't woud: Als was 't maer om te zeggen dat die stilte De rust des levens was en niet des doods.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove