Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

VII.

En zoo zag ik dien jongling en die maegd Daer zitten en beminnen: en voorwaer, 't Was schoon om in die heimvolle avonduer, Te midden van dat zalig-sluimrend woud, En van de duizend bloemekens der wei, Die reine zielen, die twee blanke duiven Te aenschouwen in hun zaligheid! 't Was schoon Om hen te hooren, schoon om hen te zien! Nu eens vertelden zij elkander al De duizend lieve dingen, waer hun hert

Van overvloeide, met dien gullen lach, Door God alleen aen schuldelooze zielen En kinderen gegeven; en dan weêr Kwam daer op eens een stilte, een hemelzoet Gesprek van oog tot ooge; dan een traen; En dan weêr 't lachend kuizelen op niew.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove