IV.
Dan 't meisje: ‘o Engel, ik heb daer beneden
Niet lang geleefd, maer veel geleden!
Mijn moeder stierf toen zij me 't leven gaf;
En vader volgde haer zoo ras in 't graf,
Dat ik me van zijn wezenstrekken
Niets meer herinner, dan den droeven lach,
Waermeê hij mij te aenschouwen plag,
Wanneer hij uit mijn wiegsken mij kwam wekken.
Een zuster mijner moeder trok mij aen,
Toen vader was gestorven, en die voedde
Mij op; en ziet, nu nog ontrolt me een traen,
Wanneer ik nadenk hoe die goede
Mij, weeskind, met heur liefde schier vergoedde
Voor al wat ik zoo vroeg verloren had.
Wij woonden op een hofken naest de stad.
Des winters leerde ik breien, naien, lezen,
Met al wat mij van nut moest wezen,
Als ik zou groot geworden zijn;
Des zomers liep ik door Gods zonneschijn;
En zalig was ik, als mijn speelgenoten,
De vooglen, die rondom in 't hofken floten;
En frisch, en schuldloos groeide ik op,
Gelijk mijn lieve bloemen, die hun knop
Voor dauw en zonneglans ontsloten;
Maer 'k wist zoo min als zij toen, hoe volop
Wij 't schoonste van ons levenstijd genoten!