Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

I.

Met eenen vriend was ik het stadsgewoel Ontvlucht; wij wandelden langs bosch en veld, Die kalmte smakend en die zaligheid, Die 't hert alleenig smaekt in de eenzaemheid. Het was een laffe zomerdag geweest; Maer de avond ging haest vallen, en daer kwam Allengs een zoele frischheid in de lucht. Wij gingen arm aen arm en sprakeloos; Want al hetgeen er ons op 't herte lag Was reeds gestort geweest in 't hert des vriends, En al hetgeen er schoon was rondom ons Had reeds de vriend den vriend gewezen: dus, Wij gingen sprakeloos en door een bosch.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove