Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

IX.

- ‘En nu, Livarda, is die boettijd uit! - Zoo klonk het woord des Engels; - ginder boven Bereidt het choor der maegden, in zijn hoven, Reeds bloemfestoenen voor de niewe bruid, Aen wie de Heer zijn woon ontsluit! Nu gaes du in den schoot der Liefde, Die was, en is, en blijft, dijn ziel, En 't schijngeluk, dat haer te beurte viel, En 't lijden, dat zoo diep haer griefde, Uitstorten en versmilten! nu, wees blij! Livarda, want God zelve wacht op dij!

En elke vleugelslag brengt ons zijn hemelen Steeds nader! Voel, o voel eens wat een vuer, Wat leven om ons heengolft in 't azuer! Zie, in het grondelooze, wat een wemelen Van zonnen en van sterren, t' allen kant! Zie, hoe ze in 't blauw der ethergolven schemelen, De een roozerood en de andre diamant! En hoor hoe die miljoenen hemelbollen, Melodisch zingend om hunne assen rollen; Hoe al die weereldstemmen, 't diepste diep Der eindloosheid doortrillend, samenparen Tot éene hymne; - en hoor die hymne varen Tot Hem, die de eindeloosheid schiep!

En van die spheer aen onze zijde, luister Wat zielbetooverend gefluister Ons tegendommelt! 't is als biegegons, Zoo zacht, niet waer? 't zijn geesten die daer woonen, En die ons naer hun weereld willen troonen; Maer staekt, o Geesten, staekt die zoete toonen! Want hooger, schooner weereld wacht op ons!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove