Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

VIII.

'k Was nu van hem bemind, en vurig; maer Helaes, te laet! - De smert had, op éen jaer, Mij arme, zóo gebroken, zóo verzwakt, Dat ik gelijk een bloeme was geknakt, Geknakt voor immer; dat mij zelfs de zon Van al zijn liefde niet verkwikken kon: Ik had de teering! - Spoedig kwam de dag, Die mij voor eewig de aerd verlaten zag. En toen, - ik lag op mijne spond; naest mij Zat onze moeie en bad; naest haer lag hij Geknield en weende, dat ik, drop voor drop, Zijn heete tranen voelde leken op Mijne afgeteerde vingren: - en rondom Mijn peuluw zweefde reeds een heele drom Van engeltjes, mij wenkend naer omhoog; Maer 'k zag naer hen niet: 'k hield mijn brekende oog Op hem alleen gevestigd, dien 'k verliet,

En 'k dacht: o God, waerom laets du mij sterven? Waerom toch moet ik nu zijn liefde derven? Neen, Heere, zulk een lot verdien ik niet! En 'k stierf. Maer die gedachten waren zonden; En om daerover boet te doen, Verstaet gij, Engel, wierd ik toen Naer 't Vagevuer gezonden.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove