II.
Herinnring! - stemmen uit de dagen
Van onze jeugd, gij klinkt mij zoet!
Als harpakkoorden, door den wind in vlagen
Uit verre vlaktens meêgedragen,
Omruischt ge in zachten toonval mijn gemoed!
Vriend, weet ge 't nog, hoe wij elkaêr verstonden
Van d'eersten dag? hoe elk van ons getrokken was
Tot d'andren, en het hem ontroerd in de oogen las,
Dat hij op aerde een broeder had gevonden?
En hoe ons leven sints tot éen versmolt,
Gelijk twee stroomen, welker water,
Te saem gevloeid met liefdrijk golfgeklater,
In éene bedding zeewaerts rolt?
Gedenkt ge 't nog, hoe spoedig ge in uw herte
Een plaets vondt voor mijn kinderlike smerte?
En hoe mijn mond, op éenen dag,
De plooi nam van uw kinderliken lach?
En dan, ons droomen, vriend, ons jonglingsdroomen!
Ziet gij ze nog, bij 't ruizlen van de boomen,
Waerdoor de zon heur tintelvonken schiet,
Of waer de maen heur tooverglans op giet;
Ziet gij ze nog, naer 't rijk der idealen,
Gelijk een blankgewiekte duivenvlucht,
Uit onze ziel opstijgen, en verdwalen
In heemlen van verrukking en genucht?
En later, als van uit die heemlen, onze zielen
In donkre waerheid en op harde werklikheid,
Met hun geknakte vleuglen nedervielen;
Weet gij het nog, hoe wij de bitterheid
Der tranen, aen elkanders borst geschreid,
Vergaten, daer wij toch elkander gansch behielen?