Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

II.

Herinnring! - stemmen uit de dagen Van onze jeugd, gij klinkt mij zoet! Als harpakkoorden, door den wind in vlagen Uit verre vlaktens meêgedragen, Omruischt ge in zachten toonval mijn gemoed!

Vriend, weet ge 't nog, hoe wij elkaêr verstonden Van d'eersten dag? hoe elk van ons getrokken was Tot d'andren, en het hem ontroerd in de oogen las, Dat hij op aerde een broeder had gevonden? En hoe ons leven sints tot éen versmolt, Gelijk twee stroomen, welker water, Te saem gevloeid met liefdrijk golfgeklater, In éene bedding zeewaerts rolt?

Gedenkt ge 't nog, hoe spoedig ge in uw herte Een plaets vondt voor mijn kinderlike smerte? En hoe mijn mond, op éenen dag, De plooi nam van uw kinderliken lach?

En dan, ons droomen, vriend, ons jonglingsdroomen! Ziet gij ze nog, bij 't ruizlen van de boomen, Waerdoor de zon heur tintelvonken schiet, Of waer de maen heur tooverglans op giet; Ziet gij ze nog, naer 't rijk der idealen, Gelijk een blankgewiekte duivenvlucht, Uit onze ziel opstijgen, en verdwalen In heemlen van verrukking en genucht?

En later, als van uit die heemlen, onze zielen In donkre waerheid en op harde werklikheid, Met hun geknakte vleuglen nedervielen; Weet gij het nog, hoe wij de bitterheid Der tranen, aen elkanders borst geschreid, Vergaten, daer wij toch elkander gansch behielen?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove