Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

III.

En de Engel, 't voorhoofd streelend met zijn vingeren, Dat achterover op zijn schouder lag, Deed 's meisjes blonde lokken rugwaerts slingeren Als gouden golleven; bezag Haer met zijn liefderijksten lach, En sprak: ‘Niet waer, dat is een schoone dag, Livarda, als men uit de folterpijnen Des Vagevuers, zoo op mag rijzen naer Een oord, waer eewge vreugdezonnen schijnen?’ En 't meisje: ‘o Engel, ja, dat 's schoon, voorwaer.’ En wijl ze sprak, verhief ze heure zachte Blauwe oogen naer den Engel, lachte

Weemoedig-stil, en sloeg dan weêr Heure oogen neêr, En zweeg. Doch na een pooze Klonk op nog liefeliker toon Des Engels stem: ‘Arm kind, vast heeft de Booze Dij fel bekoord, dij, nog zoo jong, zoo schoon? Ik zal wat trager opwaert streven: Maer zeg mij eens hoe was op aerd dijn leven, En door wat list der helle wierds du tot Het plegen eener feil gedreven, Die strafbaer was in de oog van God?’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove