Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

II.

Uw toekomst? ja, want ziet! haest loopt ge alleen, En dan moet gij door sneew en hagel heen, Van als de dag begint tot 's avonds laet, Licht op uw bloote voetjes, langs de straet, Gaen beedlen; en zoo wordt ge allengskens groot, Zoo wordt ge allengskens een volwassen maegd, Die aen de deuren de aelmoes niet meer vraegt, Maer moedig arbeidt voor heur daegliksch brood.

Daer woont zoo'n maged op geen zolderkijn: God nam heur moeder weg uit de aerdsche pijn; En voor heur vader, ouden grijzen man, Die sedert lang reeds niet meer werken kan, Heeft hare kloeke liefde al heel het jaer Gezorgd. - Maer, het is winter nu, en daer Ligt in een hoek de zieke grijzaerd. Niet Een klacht rolt van zijn lippen; maer zij ziet Wel dat hij beeft van koude; maer zij hoort

Wel dat hij met geweld den ratel smoort Des hongers, die zijn ingewand verknaegt: En God! ze heeft geen werk meer, de arme maegd! Zie, bij het smookend lampken, zit ze en staert Droef-dubbend in den uitgedoofden haerd; - Een sprekend beeld der wanhoop, - en toch schoon, Al heeft de wreede ellende van haer koon De roozen doen verdwijnen; ja, niet waer? 't Is zonde dat zoo'n bloem van achttien jaer In 't slijk der armoe zoo verslensen moet! Ze is schoon: en duizlend wentelt haer gemoed, Als rond den kolk de duive, om een gedacht Dat eislik is en toch haer tegenlacht! Ze is schoon: en ginder woont een rijke heer, Een wulpschaerd, die heur goud bood voor hare eer.... Goud!... en dan had ze vuer en brood; dan zou Heur vader toch van honger en van kou Niet sterven... goud!... maer voor hare eer!.. O! God Bescherme de arme maged in heur lot!

En dat 's misschien de toekomst die u wacht, Arm kind! - en toch slaept ge op uw strooi en lacht!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove