IV.
En langzaem zonk mijn hoofd op mijne borst:
Het wierd mij of er een betoovering
Langs ieder zintuig tot mijn binnenst drong,
En al het heimelikste, dat er in
De diepste diepten van mijn herte sliep,
Kwam wakker zingen; - 't wierd mij of mijn ziel
Werd van den vleesche losgemaekt; want 'k zag
Niet meer met de oogen mijnes lichaems, maer
Alleen met de oogen mijner ziel: - ik droomde,
En 't leven van mijn hert was in dien droom.