II.
Doch, ziet eens, zijn 't geen kanten, geen satijn, Waerover hare nijverige vingeren Den langen zijdraed heen en weder slingeren? Ja, waerlik! - en hoe hagelblank, hoe fijn! Wellicht een bruidskleed! - En wat droomen wiegen Er u het hert al niet, lief kind? wat zoet En bitter stroomt er niet door uw gemoed, Terwijl ge 't naeldje door zoo'n kleed doet vliegen?... Ja, 't zou u wél staen, is het niet? het zou Zoo prachtig ruischen om uw slanke leden, Als ge uit de koetse zoudt ten altaer treden, Naest uwen bruîgom, trotsch van op zijn schreden Te hooren: ‘God, wat engel van een vrouw!’ O, rijk zijn! rijk zijn, is het niet! - Zoo allen Rond u zien passen op uw minsten wensch; En toch niet grootsch zijn voor 'nen armen mensch; Maer de aelmoes in zijn handen laten vallen, Met eenen lach zoo medelijdend goed, Dat dit alleen hem deugd aen 't herte doet.
En dan, gaen wandlen waer 't u lust; gaen rijden, Langs breede lanen rijden naer uw hof; Maer snel, o snel! dat al de boomen glijden Naest u als bange schimmen; dat het stof Ver, ver van achter boven 't loover wemelt, En als een goudwolk in de zonne schemelt! En dan het bal, het bal! o ja, dat moet Iets zijn toch! - langs die ruime, geurge zalen, Daerheen te golven in den flonkergloed Van gulden luchters, spiegels en kristalen; Bij 't zwirlen van de vuerge dansenrij, Zich als op vleugelen van harmonij, Te voelen wieglen tusschen gaes en zij, Fluweel, en goud, en diamant, en bloemen: Dat moet iets zielverrukkend zijn! - En gij Zoudt u daer licht de schoonste hooren roemen, Ho!... En somwijlen hoordet gij nogtans Van meisjes, die als peerlen uit het duister Der armoê werden opgeraept, en thans De weereld overschittren met hun luister. En ziet! 't gebeurt u toch zoo menig keer, Dat uit de blikken van een rijken heer U zoo veel liefde tegen schijnt te vloeien:
Zoo gij alsdan.... wie weet.... misschien.... Misschien? Wat! kind, zegt gij misschien? - komt, in de plooien Van 't helderglansend bruidskleed op uw knien, De duivel u dien droomenspiegel biên, En laet hij u dát woord in de oogen gloeien?... Welnu, - moet ik ze u dan daer naest doen zien, Zij allen, die als gij in de armoê blonken; Maer die in de armen der Verleiding zonken, Terwijl ze grepen naer dien valschen schijn?... En - moet ik zeggen waer ze heden zijn?...
Neen, naeit maer, o naeit maer, met vlijtigen spoed! Uw naeld zij uw schat en uw zegen! Blijft, kind, bij uw sijsken, het kent u zoo goed; Blijft bij uwe bloemen, zij geuren zoo zoet; En ziet eens, uw hemel: - hij lacht uw gemoed Van eenvoud en schuldloosheid tegen!
Cookies on Poetry Cove