III.
En thans, - thans is 't de Vriendschap niet Alleen meer, die, gelijk voordezen, Als meesteres in uwe ziel gebiedt; Thans moet de Liefde er koninginne wezen! Maer toch, 'k benij haer die veroovring niet! Neen! want gij hebt de ziele thans gevonden, De zusterziel, die ge op de zaelge stonden Van onze broederlike dweeperij, Met hemelglans en hemelgeur omgeven, Stil-lachend zaegt voorbij uwe oogen zweven; Gij hebt op aerd de maegd ontmoet, die gij In droomen niet dan met eerbiedig beven D'onzichtbren kus van uwe ziel dorst geven; Gij drukt ze aen uwen boezem thans als bruid: En dus - stort op heur hoofd, stort al de schatten, Die ooit uw herte mocht bevatten, Gelijk een milden regen uit! Laet heel den hof van liefderoozen, Met zoo veel zorg door onze hand Weleer in uwe ziel geplant,
In frissche kransen om haer voorhoofd blozen.... Ja, Engelen des hemels, gij, die licht Op al de gouden luchtpaleizen, Die we in ons droomen voor de toekomst deden rijzen, Benijdend neêrzaegt uit uw eewig licht; Gij, die misschien ten hemel zijt gevaren, Met al die droomen, die te schoon voor de aerde waren O brengt ze, brengt ze op uwe vleuglen weêr Verwezentlijkt voor hem op aerde neêr! Laet, laet mij in verrukking soms aenschouwen, Hoe hij, in 't hert der liefdrijkste aller vrouwen, Al wat wij dweepten overtroffen vindt: En 't zal genoeg zijn voor zijn oudsten, trouwsten vrind!
1849.
Cookies on Poetry Cove