Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

IV.

Dit droomt gij; en uw droom is schoon, voorwaer! Schoon als 't gelaet, waerop hij staet te lezen; Schoon, als uw achttienjarig herte, waer Hij als een bloemwolk komt uit opgerezen! En echter, kind, grijpt mij een siddring aen, Wanneer ik nadenk hoe die droom kan enden; Hoe, licht éen slag hem plots kan doen vergaen In droeve werklikheid, in wreede ellenden! Want, steekt uw hoofd slechts door de venster heen; Laet slechts uw blikken door de muren dringen Der huiskens, die u links en rechts omringen; En, ziet ge geen vriendin daer, kort geleên Als meisje nog de trots van al de buren,

Een die heel 't donker straetje als met een glans Van blijheid vulde, - en welke de armste thans Beklaegt om wat ze als vrouwe moet verduren? Ziet gij geen moeder, die te voren ook Om 't hoofd van hare kindren hemellichtjes, Die blos en lachjes droomde op hun gezichtjes, En die nooit anders dan het bleeke spook Des hongers grijnzen ziet bij hare wichtjes? Ziet gij geen maegd?... Doch neen, gij merkt dit niet! Gij ducht niet dat de rampen van die allen U treffen kunnen: - slechts doet gij uw lied Weêr hoog en helder door de lucht weêrschallen!

En gij naeit maer, gij naeit maer, met vlijtigen spoed; Want gij vondt nog op aerd niet dan zegen! Want zoo blauw is uw hemel, zoo blij uw gemoed! Uw sijsken zoo lustig, uw bloemen zoo zoet! En Hij, die en bloemkens en vogeltjes hoedt, God lacht in dit al u toch tegen!

1848.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove