Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

IX.

‘Maer dat gezicht verdween, ik weet niet hoe, En 'k zag iets anders: 't was die zelfste plek, Die hof, dit huis; - maer 't was in 't voorjaer en Des morgends. Aen het einde van den hof, Was een priëel van meiroos en seringen,

Waerboven twee kastanjeboomen, gansch Met hagelwitte trossen overdekt, Hun kruinen liefdrijk door elkander vlochten. In dat priëel zag ik dien man, die vrouw, Welke ik daer straks gezien heb, zitten en Zich koestren in de warme lentezon. Ze waren oud en grijs nu; ja, zoo oud Dat hunne hoofden zachtjes beefden, wen Ze spraken; en nogtans, zij zaten daer, Zoo rustig en zoo zalig naest elkaêr! De grijzaerd had de hand van zijne vrouw In zijne hand gevat: hij wees haer met Een stillen glimlach op 't kastanjenpaer, Dat boven hunne hoofden tot éen kruin Zijn kruinen samenmengde, en fluisterde Heur iets in de oor van over vijftig jaer, Toen eensklaps een gerucht hen stooren kwam.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove