Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

VII.

Beminnen en bemind zijn, - Engel, o! Verstaet ge wel wat dit wil zeggen? - Zoo Op eens in steê van duldelooze smert Geheel een hemel voelen in uw hert!

Zoo, gansch den dag, in alles, eene stem, Een fluisteren vernemen, dat van hem En van zijn liefde spreekt; zoo, gansch den nacht, Zijn naem in uwe droomen hooren zingen Gelijk op gouden harpen; en bij 't zacht Ontwaken, in de blijde tintelingen Der uchtendzon, alweêr zijn liefde zien, Die u haer eersten morgendgroet komt biên! Zoo, hand in hand, te samen wandlen gaen, Des avonds, in den zomer, wen de maen Heur stralen, als een slaepkleed, uitspreidt over Het bruin, geheimnisvolle loover, En vriendlik heenloert door de blaên, Of aen het eind van elke laen, Stilgreemlende u schijnt ga te slaen! Zoo... Engel, zegt, wanneer ge somtijds neven De spheer der aerde op 't maengeglim komt zweven, En door het bladgewemel nederziet Op zulk een paer, benijdt ge dat dan niet?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove