Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

IV.

Doch, arme menschen lijden zoo veel pijn, Dat zij al spoedig oud en krachtloos zijn; Dat zij al spoedig de oogen mogen slaên Op 't einde van hun jammervolle baen. Maer, arm en oud zijn, en geen kracht in 't lijf Meer hebben; maer, daer zitten, stram en stijf, Alleen nog door de smert aen de aerde vast, Aen andren, aen zichzelven slechts tot last; En kou en honger lijden, en misschien Rond zich zijn kindren, zijn kindskindren zien, Die kou en honger lijden; en een hert, Een moederhert bezitten, dat hun smert Nog dieper voelt dan eigen lijden; en Ja, hooren, hooren uit den mond van hen Die men zoo liefheeft: ‘Hemel! wat leeft toch Die oude lang!’ - en nog niet kunnen, nog

Niet mogen kruipen uit dit aerdsche slijk.... O God, hoe eiselijk, hoe eiselijk!

En dat 's misschien de toekomst die u wacht, Arm kind! - en toch slaept ge op uw strooi en lacht!

Toch lacht gij! - en waerom? waerom? ziet gij Licht in uw droom Gods englen aen uw zij, Die uwe ziele koestren in het licht, Dat afstroomt van hun glansend aengezicht? Hoort gij misschien, in hemelzoet akkoord, Hen rond uw wiegsken zingen: ‘Kind, slaep voort, Lach voort! want hem, die de armste is hier op aerd Wordt ginds de hoogste zaligheid bewaerd!’ Zegt, kindje, zingen de englen dat om 't stroo Van uwe wiege, en lacht ge daerom zoo?

1846.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove