II.
Doch eensklaps kwamen we aen een vlakte, die
Te midden van dat bosch gelegen was.
Ik bleef daer staen; want lieflik was die plek,
Eenvoudig-lieflik. 't Was een klaverwei,
Zachtgroen fluweel, met bloemen rijk bestikt,
Doorkronkeld van een murmelende beek,
Te midden van de statigheid des wouds
U zoet verrassend, als een teeder woord,
Dat onverwacht gehoord wordt uit den mond
Eens grijzaerds, die van strenge wijsheid spreekt.