Skip to content
1853

Jongelingsdroomen

Jan Beers

XI.

‘En nu, wat zegt ge van dat visioen?’ Het meisje bloosde bij die vraeg: zij liet Haer voorhoofd nederzijgen op zijn borst,

En gaf geen antwoord. - Doch, na eene poos Vroeg hij op niew: ‘Welnu, wat zegt ge er van?’ En langzaem 't hoofd verheffend, sprak ze: ‘Vriend, Zoudt gij gelooven dat ge een droomer zijt?’ ‘Een droomer?’ vroeg hij, en daer kwam gelijk Een wolk op zijn gelaet, - ‘een droomer!... ja Waerachtig, 't zijn maer droomen, ijdle droomen, Die nooit misschien....’ En met een bittren lach Zag hij voor zich en zweeg. - Doch 't meisje, alsof Hetgeen ze had gezegd haer spijt deed, lei In zijne hand heur handjen, en een traen Van heure wimpers vagend, sprak ze: ‘Vriend, Maer God is toch zoo goed! God is zoo goed! Die zal wellicht....’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jongelingsdroomen · Jan Beers · Poetry Cove