III
Ik heb hem lief, den buitenherder, Wanneer hij, los van 't slijk, en de oogen hemelwaart, Slechts arbeidt om het rijk van vrede en liefde verder Te helpen bouwen op der aard! Hij hoeft niet, even als de Priester uit de steden, Waar hij 't geloof aan God en eeuwigheid verkondt, Met open boek en kracht van reden, Elk woord te staven, dat hem welt uit 's harten grond. 't Gelooft, 't bidt alles om hem henen. Toch zijn 't daar zondaars, lijk wij allen, in Gods oog;
Maar buiten heft de Priester enkel 't kruis omhoog; En, van die heldre zon beschenen, Bezwijkt de zonde en is het ongeloof verdwenen. De buitenherder, - 'k vind hem schoon, 'k bemin hem, ja! Niets, dat van op zijn houten stoel zijn blik ontga; Zijn kloksken weert den hagel af en breekt den donder; Steeds slaat zijn oog de kudde gâ; Eén zondaar vlucht hem, en hij zoekt, hij vindt den zonder; Hij heeft vergiffenis voor elk berouw gereed, En zalf voor ieder zieleleed; Gezegend zweeft zijn naam nabij en in de verte Op alle lippen lieflijk rond; Elk noemt hem, dankbaar, in zijn harte, Den grooten heeler van de smarte; En daarom vond De teedre Marthe Ook balsem bij dien man voor hare zielewond.
Maar lichter had de vriend des Heeren Van uit zijn pastorij, het kwaad, dat elk ontging, Het minste zondige begeeren Ontdekt, dan onder 's Keizers heren Den simpelen soldaat, den armen jongeling, Van wien men sinds drie jaar geen tijding meer ontving.
En toen vooral, dat, bij het ratelen der trommel, Het schallen der trompet en 't woest kanongedommel, Zeshonderd duizend Franschen, blij te moed, Land in land uit, Euroop doorliepen, En in éen plas van menschenbloed Zijn sidderenden boôm herschiepen.
Verleden zomer, ja, schreef oom hem menig keer; Maar drie maal had het leger slaags geweest; te meer, Frits was van regiment veranderd, zei men: de eene Zag hem in Pruisen, de andre naar den Rijnkant hene; Men wist er niewers van; hij had geene ouders; kort: De flinke jongen kwam uit een dier schuilvertrekken, Waar heel een zwerm van kleinen snort, Wien medelij tot moeder wordt. Zijn moeder zocht hij lang; nooit mocht hij haar ontdekken. Zijn hart had dorst naar liefde, in 't dorp vond hij ze op 't lest, En zonder d'oorlog had hij 't leven daar gevest.
Nu gij dit alles weet, zoo laten wij den braven Dorpsherder aan de zorg, die hem zijn goedheid kost, Wijl hij met brief op brief de post Gestaâg doet heen en weder draven.
Kom! laat ons 't schamel huizekijn, Waar 't arme meisje reeds aan 't werk zit, binnentreden. Wat ommekeer, niet waar? - pas éenen dag geleden, Had zij 'nen bruidschat, zelfs een beurze goud in 't schrijn; Thans, wat ontmoet ge nog daar binnen, Dat ze als beur eigendom behiel? Een houten stoel, heur naaigerief, heur spinnewiel; Want naaien moet ze thans en spinnen, Om 't schrale daaglijksch brood te winnen. En toch beklaag haar niet, al faalt heur soms de kracht; Rijk, zweeg zeen weende; thans is ze arm, maar zingt en lacht! Frits zal gered zijn! Frits zal lang nog, lang nog leven! En leven, vrijheid, alles wordt hij 't arme kind Verschuldigd: - God! wat gaat hij haar toch liefde geven! En armoê - wie zou daar voor beven, Die mint en weder wordt bemind?
Zij leeft als in een droomenhemel. Wen ze aan de toekomst denkt, dan is het haar, als zwom Ze in bloemengeur en straalgewemel. Ook zijn het bloemen rond haar, boven haar, alom! En ze arbeidt, arbeidt; en, terwijl het minnend zieltje Zacht wiegt op al dien geur en gloed,
Ronkt heel de week het spinnewieltje, Of vliegt het naaldjen op en af met blijden spoed; En zoo veel dagen rein geluk droomt haar gemoed, Als ze ellen garen door haar vingeren, Laat om 't gezwind bobijntje slingeren, Als 't vliegend naaldje steken doet!
Een zondagmorgend, na de Hoogmis, treedt de eerwaerde Dorpsherder haar op zij, gelijk ze huiswaarts keerde. Zijn wezen glanst van vreugdegloor; Zijn hand, die blijde ontroering even Zoo zeer als ouderdom doet beven, Houdt eenen brief der maged voor.
‘Mijn kind,’ dus vangt hij aan, ‘de Hemel zij geprezen! Zijn zegen rust op u. Frits is gevonden! Hij Was in Parijs; 't is alles klaar nu; Frits is vrij; Op zondag hoopt hij hier te wezen. Niets raadt hij nog. Hij schrijft me een brief vol ijdlen trots: Zijn moeder, waant hij, heeft zich toch ten langeleste Doen kennen; zij is rijk, zij kocht van dienst hem los. O! laat hem, laat hem komen, beste, En hooren wat hij u verschuldigd is, - hij zal U minnen, ja! na God u minnen boven al!
Zoo gaat u dan de dag van 't zoet vergelden gloren; Bereid uw harte wèl, mijn kind. Ik wil dat Frits u aan mijn zijde wedervind'! 'k Wil hem in 't bijzijn van het gansche dorp doen hooren, Wat heil de algoede God den jongling heeft beschoren, Die van een engel zoo als Martha wordt bemind!’
Den uitverkoomen, zegt men, in des hemels zalen, Klinkt zang, waarbij hun 't hart in grondloos heil verzinkt; En, toen ze in heure ziel die woorden voelde dalen, Wist Martha, dat die zang ook soms op aarde klinkt.
Dan eindlijk, hij is daar, de tweede zondag. Blijde Glanst alles, met het goud der junizon gesierd. 't Volk zingt en schatert wijd en zijde; Men ziet, dat elk van daag hier dubbel feestdag viert.
't Slaat middag. Stil het huis des Heeren uitgetogen, Stapt de oude Priester naast de zoete maged voort. Heur wimpers hangen neêr op 't blauw der drijvende oogen; Zij schijnt beschaamd en spreekt geen woord. 't Is of ze alleen de stem van hare liefde hoort, Van binnen roepend; heil! mijn dag van zege gloort! Het volk dringt zich rond hen op hopen.
Dit alles krijgt een zweem van grootschheid en ontzag. 't Is of m' een grooten heer inhalen moet dien dag. 't Komt alles buiten 't dorp geloopen, En lachende gaat ieder aan Den ingang van den rijweg staan.
Niets in het midden, niets aan 't eind dier platte laan; Niets, dan de schaduw, scherp van zonneschijn doorsneden. Op eens, daar daagt een donker stip: 't schijnt voort te treden.... Twee mannen!... krijgsliên!... en de grootste, ja, 't is hij!... Wat flinke borst! hij werd in dienst nog eens zoo krachtig!... Zij naadren.... doch, wie is die andere, aan zijn zij? Een vreemde... 't lijkt een vrouw... en 't is er een, waarachtig! Een marketenster.... Zie! wat is ze schoon! hoe prachtig Omsluit dit kleed haar volle leên! Maar, God! waarom die vrouw bij Frits?... waar wil die heen? Staroogend, roerloos, stom van smarte Staat de arme Marthe. De grijze Priester, gansch de volksschaar, iedereen Zwijgt mede, en siddert in zijn harte. En aâmloos, lachend, spoedt zich 't paar; Nog twintig stappen, en daar zijn ze bij de schaar.... Maar zie! wat is dat? Frits wil eensklaps niet meer verder; Hoogblozend, bevend staat hij daar:
Hij merkte Martha!... En de stemme van den Herder, Die stem, waarvoor de zonde gruwt, Galmt vreeslijk hem in 't oor: ‘Frits, wie is deze vrouwe?’ En, als een schuldige, buigt Frits het hoofd vol rouwe: ‘De mijne, Heer Pastoor! de mijne.... 'k ben gehuwd!’
Een vrouwengil weêrklinkt. De Priester keert zich omme; Hij huivert bij dien vreemden gil:
‘Mijn kind, schep moed, en denk het is des Heeren wil!’ Doch Martha blijft gelijk een stomme. Elk staart haar aan, in 't hart beducht, Dat bij dien schrikbren slag het leven haar ontvlucht. Doch neen, ze sterft niet! 't schijnt ze troost zich na een pooze. Lang schouwt ze Frits in de oogen, lang en teêr, En lacht dan eensklaps, lacht gelijk een zinnelooze.... En anders lachen, kon ze, och arme! nu niet meer; 't Arm meisje was een zinnelooze! Bij 't woord, dat uit den mond des trouweloozen viel, Ontvlood voor immer 't licht der rede hare ziel.
Toen Frits het al vernam, liep hij van 't dorp, en spoedde Naar 't leger weêr, in dolle woede. Het jonge leven, dat hij niet meer dragen kon,
Versmeet hij, zegt men, als een doemeling te moede, Vlak voor den mond van een losbrandende kanon.
Doch, wat maar al te waar is, Marthe Ontsnapte, zeekren duistren nacht, Aan alle wacht; En in Antwerpen zag men sinds langs straat en markte De onnoozle dolen, meer dan dertig jaar te root, Stil ieder penningsken en ieder stuksken brood Toelachend, dat zij in heur korfken voelde vallen. Geen wist iets over haar, maar zij was lief aan allen.
Alleen de kindren, - o! dat kleine volk verstaat Geen deernis nog, en lacht met al wat ons doet weenen, - De kindren riepen haar op straat Vaak na: ‘Eh! Martha, een soldaat!’ En Martha vluchtte dan, bleek en verwilderd, henen.
Thans weet ge waarom ze op dat woord dus henen liep. En ik, ik die 't haar meer dan honderd malen riep, Nu ik haar leven ken, en man werd ondertusschen, 'k Zou nu de flarden van haar mantel willen kussen, Haar om vergeving smeeken, kruipende op den grond; 'k Vind niets meer dan een graf... ik strooi er bloemen rond!
Cookies on Poetry Cove