Skip to content
1869

Gevoel en leven

Jan Beers

VII

Gedenkt u nog, o grijs Europe, Hoe daar op eens door al uw leên, Nu 't vierde van eene eeuw geleên, Een siddring gleed van blijde hope? Gedenkt u nog, hoe gansch het vasteland Geestdriftig de oogen hield geslagen Op 't nietigst plekje van uw westerstrand, Uitroepend: ‘Ziet! daar rolt de wonderwagen, Die weêr de gouden eeuw doet dagen, Die alle grenzen, alle veeten weg komt vagen, Die alles strengelt in een zelfden broederband!’

O! 'k hoor, mij dunkt, het juublend schallen Van 't feestkanon nog buldren door de lucht, Wanneer hij de eerste maal zijn vlucht Door 't veld nam, buiten Brussels wallen!

Ik zie hem nog, zooals ik toen hem zag, Trotsch in 't bewustzijn van zijn reuzenkrachten, Aansnorren door de vlakte op bronzen schachten, Omwuifd van Belgie's jonge vlag!

Niet waar, Euroop! gij hadt ze in stil mistrouwen En met een oog vol wrevel gâgeslaan, Die vlag, plots losgewaaid uit heure vouwen, In 't loeien van een staatsorkaan? Maar, toen gij hare driekleur fier zaagt zweven Om 't hoofd van 't eerste stoomros, dat uw grond Deed onder zijn getrappel beven, Toen klonk het als uit éenen mond, Bij al uw volkeren in 't rond: ‘Thans is heur oorsprong haar vergeven! De aâm van den stoom, waarop zij fladdert, heeft Haar rein gewasschen van de smet, die op haar kleeft!’

‘O!’ klonk het links en rechts, ‘zoo onze vaderen Eens mochten opstaan uit der graven kuil, En onverwachts, op donderende raderen, Dien duivel, met zijn helsch gehuil, Door 't siddrend landschap zagen naderen, Vuur knauwende in zijn ijzren muil:

Hoe zouden zij, met schrik des doods in de aderen, Erbarming smeeken op de kniên, Of raadloos dwars door veld en bosschen vliên!’

En gij, nogtans, gij, Reuzen der gemeente, Die eens met stroomen bloeds het grondgesteente, Waar recht en vrijheid op verheven werd, Hebt vastgezegeld in Europa's hart; Gij, vorsten in het rijk der kunst, gij wijzen, Gij allen, die met hoofd, of hart, of hand Meêwerkend, over 't vaderland 't Licht der beschaving hooger hebt doen rijzen: Gij golfdet, is het niet? - onmeetbre schaar Vol tintelglans van aureoolgewemel, - Op 't spoor dier stoomkoets door den hemel, En breidet de armen zeegnend over haar.

En, Belgenland! is u die zegen Des voorgeslachts ten heil gedegen?... Hoort! alles arbeidt, alles zingt; Eén biehal is uw boôm, waarover, In onophoudlijk harmoniegetoover, 't Geruisch van nijverheid en handel klinkt. En ziet! dwars door dit wriemlen, door dit leven.

't Gevleugeld stoomros heen en weder zweven, Om steeds vernieuwde kracht te geven Aan 't minste vlekje, waar het neven snort! Ziet! slechts éen net, éen doolhof is 't van sporen, Langs waar 't op elken uithoek, hoe verloren En dood hij zij geweest te voren, Thans, dag voor dag, den vollen horen Van zijne weldaân ledig stort!

Stoomwagen! schoonste der veroveringen, Die 's menschen geest, in zijnen eeuwgen strijd, Aan 't logge stofrijk mocht ontwringen, Wat ziener zal den nacht doordringen Der toekomst, en op gouden harpe zingen Waartoe gij eens geroepen zijt?... Wij, enkel de oogen op 't verleden Gevestigd, stroomen los in dankgebeden; En, waar gij trotsch soms voor ons henenglijdt, Daar komt alleen aan onze lippen De heimelijke wensch ontglippen: ‘God! laat ook ons, ook ons hem zien, den tijd, Waarop hij alle land als 't onze omstrengelt, Waarop hij 't menschdom tot éen volk vermengelt, En de aarde, als Belgie thans, hem benedijdt!’

1859.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gevoel en leven · Jan Beers · Poetry Cove