Skip to content
1869

Gevoel en leven

Jan Beers

III

‘Frans, mijn jongen!’ zoo klinkt opbeurend de stemme des Kuipers, Daar hij zijn schootsvel traag losknoopt en achter de deur hangt; ‘'t Werk op den winkel is af; het is vroeg nog; schiet uwen jas aan, ‘En ga drink nog een pint met de maats van den ‘Edelen Kruisboog.’ ‘Daar 's van daag op de doelen een hesp, zoo 'k hoorde, te winnen. ‘Toe! ding mede! dat zal uwe zinnen een beetje verzetten.’ En Frans, die met den kop in de hand op de kim van een poensel Ligt en droomt, gaat zwijgend naar binnen, verwisselt van kleêren, En sluipt, enkel een dof ‘goên-avond’ momplend, den huize uit.

Maar, waarom toch schuift de gemoedelijke oude zijn wollen Topmuts op 't grijs hoofd zoo bedenkelijk overendweder, Daar hij, op de onderdeure geleund, zijnen zoon droef naoogt? Wat was ter waereld bekwaam om den knaap, die vroeger, als zonlicht, Blijheid straalde om zich heen, op eens tot den droomer te maken, Die zich ginder zoo loom voortsleept langshenen de huizen? Straat bij straat reeds heeft hij doorslenterd; en immer nog hangt hem 't Hoofd op de borst, en staren zijne oogen beweegloos ten gronde. Daar komt hij aan de Poort, stapt over de bruggen, en - zie toch, Frans, hoe 't opene veld u vroo- en vriendelijk toelacht! Hoe 't schuinsvallende licht der wijkende najaarszonne 't Westen met luister vervult en vonkelt door 't gelende loover!

Hoor, hoe de vogelen hier en ginds nog een hartelijk deuntje Gorglen, als dankten ze God voor dien laten, genoeglijken herfstdag! Maar Frans hoort noch ziet; hij doolt, in zichzelven verzonken, Altijd verder, en kuiert ten leste 't beschaduwde pad in, Dat naar de herberg leidt, waar ‘de Edele Kruisboog’ uithangt. Reeds onderscheidt hij 't geraas en geschater der jolige makkers; Reeds, voortschrijdende nevens de tuinhaag, hoort hij 't geknars der Boogpees, 't snerpende snorren des pijls, die trillend in 't wit bijt, En onmiddlijk daarop 't hoogschallende ‘roos!’ van den doelknaap; Reeds legt hij op de klink van het hekken den aarzlenden vinger; ‘Maar,’ zoo vraagt hij op eens zichzelven, ‘wat wil ik daar binnen? ‘Mij blootgeven aan 't spotten der makkers? of onder onstuimig

‘Tieren en drinken den angel der smart in mijn binnenst verstompen? ‘Neen!’ - En hij spoedt weêr voort, langs 't huis en achter den tuin om, Dwars door 't stoppelig veld, tot waar, van stroomenden goudgloor Gansch doortinteld, een bosch zijne statige lanen hem opent. Doelloos dwaalt hij een wijl nog onder de beuken. Maar alles Schijnt hem geheimenisvol nu tegen te fluisteren: ‘Jongling! Schrei uwe smart hier uit, in dien tempel van ernst en vrede; Schrei aan de borst der natuur; zij, de eeuwig-gelaten, zal troosten.’ En, als verstond hij die stem, Frans laat op een knoestigen wortel Traag zich neêr, overdekt zich 't gelaat met beide zijn handen, En nat zwijgend het mos aan zijn voet met bittere tranen.

Arreme jongen!... En pas acht dagen te voren nog scheen hem 't Leven zoo zalig! 't Verleên was hem slechts éen keten van vreugde; En het toekomende, - maar éen woordeken diende er gesproken, Dacht hij, om gansch zijn bestaan tot een hemel op aarde te maken.... Wat toch had er een heil, zoo onwrikbaar, plotslings vergruizeld?

Jaarlijks was het in 't huis van den Kuiper, den vierden October, Volop feest; want vader en zoon, die d'eigensten voornaam Droegen, herdachten alsdan hunnen heilgen patroon Franciscus. En die dubble besteek viel juist dees jaar op een zondag. Reeds drie dagen vooraf had Frans, in de keuken, de dienstmeid,

De oude Kato, die, sedert heur brave bazin bij den Heer was, Oppermachtig geheel 't huishouden beredderde, heimlijk Opgezocht, en gevraagd of ze al eens had gedacht aan het naamfeest. En zij, uit de schapraai heuren almanak langende, had hem Triomfeerend getoond, hoe Sint Franciscus daarin stond Van hare eigene hand met twee rooi kruiskens geteekend. Voorts had Frans heur nog wèl op 't harte gedrukt, dat het noenmaal Enkel bestaan mocht uit wat vader het meest naar zijn tand was; En voor 't laatst had hij haar ‘den besteek’ overhandigd: een zilvren Tabaksdoos, die zij stil in vaders servet moest verbergen. Geen half uur naderhand, was de Kuiper, al even vertrouwlijk Bij Kato in de keuken verschenen, met de eigenste boodschap,

En overhandigde haar eene gouden horlogieketting, ‘Franses besteek,’ dien zij stil in dezes servet moest verbergen. Dan, op den plechtigen dag, in den morgend, trokken zij samen, Zoon en vader, op hun paaschbeste gekleed, naar de hoogmis, Schepten een luchtje daarna, en keerden, wat over den middag, Huiswaarts, elk in den waan dat de andre niet dacht aan het naamfeest. Doch zoodra ze, den hoek van de straat omkeerende, ontwaarden Hoe Kato aan de deur op den uitkijk stond, overglanste De eigenste glimlach beider gelaat; want beiden bediedde Zulks naar heimlijk akkoord: kom binnen; 't is alles in regel! En nu, als zij te gaâr, met koddigen ernst op de lip zich Bijtende, waren getreden in 't kamerken achter den winkel;

Als zij zagen hoe daar twee stoelen hen wachtten, met bloemen Sierlijk omkranst, twee ruikers op tafel, en, midden van deze, Een reuzachtige toert, waarop, in suikeren letters, Tweemaal de hartlijke wensch: ‘Lang leve Franciscus!’ hun toeblonk; Als zij vooral, weêrzijds, meesmuilend, zich hunne servetten Wezen, en die ontplooiden, en zagen hoe ieder den andren Wèl had bedacht, en hem schonk juist wat hij het heimelijkst wenschte, Dan viel vader en zoon elkaâr luidjuublend in de armen, Wijl Kato bij de deur, handklappende, schokte van 't lachen.

Och! wat zaten ze daar met hun tweeën genoeglijk aan tafel, 't Maal, hun gediend door Kato, zich latende smaken als klokspijs,

En het besproeiend met glas bij glas van den deugdlijken ‘rooien,’ Die niet op werd gehaald dan bij naamfeest, kermis of hoogtijd. Wat weêrklonk er somwijlen, door 't vriendlijk gekeuvel, een ronde, Hartlijke lach, - ja! dat heel 't kamerken, 't welk uit den winkel Enkel zijn licht kreeg langs eene raam van looden kozijnen, Telkens, als 't ware, daarbij volstroomde van zonnig getintel.

Doch thans heerschte er een poos van zwijgen. - Kato, die zoo smaaklijk Meê van de toert had gesmuld, en op beider gezondheid gedronken, Stond in haar keukentje, druk aan 't wasschen van borden en schotels. Frans had nog eene flesch ontkurkt; en de Kuiper, zijn pijpken, (Vast al het derde of het vierde!) uit de glimmende tabaksdooze

Stoppende, knikte, zoo 't scheen, stil tegen zijne eigen gepeinzen. Dan, tot klinken zijn glas optillende: ‘Vader!’ zoo schertste Frans, ‘zie! wat het ook zij, waarom ge zoo heimelijk meesmuilt, 'k Drink er een teug op, daar!’ En de oude, met vlugge beweging Tegenklinkende: ‘Top! jandorie! dat gaadt me!’ en hij golsde 't Glas in een enkelen slok, met blij tongklappen, naar binnen.

En weêr was 't of hun lach licht sprankelen deed in het ronde.

‘Maar,’ zoo vraagde nu Frans, toen de vroolijke bui wat bedaarde; ‘Zeg me toch eens, waarop was die lekkere dronk?’ En de Kuiper, Met groote oogen hem koddig- verbaasd aankijkende: ‘Deugniet!

Heb-de dan dwars door mijn vest mij niet in 't harte gelezen?’ - ‘Ik! och neen! doch, vader, er lichtte uit uw vriendelijke oogen Zoo'n plezierig gedacht, dat...’ - ‘Zie-de't! hij had het geraden Zoo'n plezierig gedacht! ja, jongen, dat was het, plezierig!... Luister: wij waren, zoo docht me, een heel jaar ouder, en vierden Weder den dag van Sint Franciscus. Maar, kun-de't gelooven? 't Zag er in dees vertrek nog prettiger uit, dan op heden! Ja, wij zaten als thans, vlak over elkander aan tafel; Maar, hier, tusschen ons in, wie denkt-de wel dat er nog meer zat?’ - ‘Onze Kato!’ - ‘Och foei! 't was al een ander figuurken! Zoo iets jeugdigs en malsch, dat u heimelijk soms in de knie neep; Dat mij ‘vaaierken’ noemde, en u ‘lief ventje’... wat blieft u,

‘Frans!’ - En, wijl hij zijn pijp aanvuurde met gulzige teugen. Loerde hij schalksch van terzij, door de rookwolk heen, naar den jongling.

Maar Frans schaterde 't uit, en trommelde een marsch op de tafel.

Dan, voor zijn wezen den walm wegblazende, vatte de vader Weder het woord: ‘Ja, vrienden en buren die plegen te zeggen: 't Is in de Kuiper zijn huis altoos van leve de vreugde; 't Lacht en zingt er, dag in dag uit, van 's morgends tot 's avonds. En zij hebben gelijk! ik laat aan mijn hart het niet komen! Maar toch, vind-de niet, Frans, dat het heel wat beter zou wezen, Als er zoo'n vrouwken in huis, lijk het zonneken, vriendlijk en koestrend,

Ging en kwam; en, gaande en komende, soms u 'nen malschen Kus gaf?... En, zeg, jongen! ge zijt toch ook nu geen knaap meer, Heb-de er nog nooit aan gedacht om dat kostelijk vrouwken te zoeken?’ Waarop Frans: ‘Och ja.... maar....’ - ‘Maar! wat valt hier te maren? 'k Word ik dagelijks een dag ouder; en 'k wil, bij den drommel! Mijn kleinkinderen zien! ik wil ze, dáar, vóor, op den winkel, Midden van tobben en vaten zien knikkren en bikklen; en 'k zal ze, 's Avonds, achter de stoof, op mijn knie doen paerdeken rijden!... Wat! zoo'n kaerel als gij, dat maart, dat moet zich verzinnen!... Seemenis God! wel, jongen, ge hebt maar te fluiten: de besten Bidden geknield, om de bruid bij Frans van den Kuiper te worden!’

Doch Frans, die hem op eens met ernstigen blik in 't gelaat keek: ‘Nu dan, vader, vermits ge er aan houdt, dat ik spoedig een keus doe, Weet, die keus is gedaan, sinds lang. Alleenig, ik twijfel, Of hij wel heel ende gansch ook de uwe zal wezen; want zij, die 'k Liefheb, ja! van toen ik nog 't woord liefhebben niet kende, Zij, voor wie ik mijn goed en bloed, mijn alles wou geven, Kan geenen anderen schat aanbrengen, dan enkel zichzelve. Al wat een engel op aarde ten toon zou spreiden aan deugden, Heeft ze; - maar vergt ge niet soms eenen anderen bruidschat, vader?’ En, met listigen lach oprijzende, wijl hij den vinger Richtte naar de overzijde der straat, vroeg de oude: ‘Die engel, Zeg, Frans, nestelt hij dáar niet op 't derde verdiep, en is de eerste

Letter, waarmede zijn naam op aarde gespeld wordt, niet... Begga?’

Frans sprong, bevend van hoop en angst, nu ook van zijn stoel op, Poogde te spreken, maar stokte, en boog op den schouder zijns vaders Zwijgend het voorhoofd neêr. Maar de oude, den krachtigen kroeskop Zacht-opbeurende, sprak met blijdschapstralenden oogslag: ‘Frans! zet nevens uw Begga een koningsdochter, uw keus blijft Nòg mijn keus!... Kom, lang me mijn jas en mijn hoed! 'k wil het ijzer Smeden als 't heet is; ik loop naar de weduw hierover. Het huwlijk Is al geklonken, me dunkt! Jandorie! wat slot voor zoo'n feestdag!’ En, nog vóor dat Frans opschrok uit zijn stomme verbazing, Was hij den huize al uit, en de straat al over, en spoedde

Luchtig den trap op, naar het verdiep, dat de weduw bewoonde.

Juist was deze maar met Klein-Broêrken alleen in de kamer, Toen daar een luid ‘geen belet?’ weêrklonk op 't portaaltje, en zich tevens 't Rood en vriendlijk gelaat van den Kuiper vertoonde in de deurspleet. 't Gaf haar gelijk eenen schok hem te zien; want ja! zij gevoelde 't Aan 't fel kloppende hart: die bracht een gewichtige boodschap. Licht wel een huwelijksvraag!... Maar wie zou 't gelden van beiden? Hare Coleta, of wel de andere? - Dadelijk echter Smoorde zij in haar gemoed die ontroering; en, wijl ze haar zoontje Zachtjes ter deure uit dreef, en hiet wat beneên te gaan spelen, Voer ze den Kuiper, gemaakt glimlachende en nijgende, tegen:

‘Wel! kom binnen, gebuur, kom binnen, en zet u! - Wat engel Heb ik toch de eer, het genoegen te danken, dat gij ons bezoek brengt?’ Waarop de oude, zich traag op een stoel neêrvlijende: ‘Buurvrouw, Even als mij is het u voorzeker al dikwijls gebleken, Dat onze kindren elkaâr voortreffelijk kunnen verdragen. Nu, ge moet weten, wij vierden van daag ons beider patroonfeest, Frans en ik; en, zoo al keuvelende, onder het leêgen Van eene lekkere flesch, had ik stillekens aan het gesprek op 't Stuk van trouwen gebracht. Zie; Frans, mijn jongen! zoo zei ik....’ En daar volgde nu heel het verslag der gehoudene tweespraak, Met dit bondige slot: ‘Dus, buurvrouw, kwam ik ten uwent, Om voor mijn eenigen zoon u de hand uwer dochter te vragen.’

Met haar gesuikerdste lachjes en knikjes aanhoorde de weduw 's Kuipers verhaal; en, toen hij gedaan had: ‘warelijk, buurman,’ Fleemde ze, ‘'t is van u en uw zoon, opzichtens geringe ‘Lieden als wij, eene eer, een.... zie! 'k zoek vruchteloos woorden, Om u te zeggen, hoe zeer mij die aanvraag treft, en Coleta Zal, ik verzeker het u....’ - ‘Wat zegt ge? Coleta?... neen, Begga!’ Stotterde de oude verbaasd. En zij, met de onnoozelste tronie: ‘Ah! 't was Begga, die ge bedoeldet!... Gij zeidet “uw dochter;” En, daar Begga niet langer bij ons woont, dacht ik natuurlijk....’ - ‘Wat! woont Begga niet langer bij u? en waar dan verbleef ze?’ - ‘Tusschen dit meisken en ons is alle betrekking verbroken.’

- ‘God in den hemel! En dat waarom, waarom toch, gebuurvrouw?’ Doch, als wilde 't bescheed haar niet van 't harte, de weduw Fronste de wenkbrauw, zette een bedenkelijk mondjen, en blikte Dus, hoofdschuddend en stom, den bedremmelden Kuiper in de oogen.

Die sprong eindelijk recht van zijn stoel; en, 't wijf bij den schouder Grijpende, beet hij haar toe: Maar, vrouwmensch! geef me dan antwoord!’

Eerst nog haalde ze een tip van haar voorschoot op, om zich 't aanschijn Meê te bedekken; en toen, luidnokkende: ‘O God! dat een moeder Zóo met eigenen mond van haar kind moet schande verkonden!... Maar gij, treffelijk man met huizen en erven, gij vraagt mij

Voor uwen eenigen zoon een doodarm meisken ten huwlijk; 'k Ben, hoe 't moederlijk hart moog bloeden bij zulke bekentnis, U de verklaring verplicht: dit meisken is zijner onwaardig!... Luister! - De factores in kant, voor welke wij werken, Is u zeker bekend, en licht ook Albert haar zoon wel. Nu, het gebeurde wel soms, dat de eene of andere boodschap Dezen ten onzent aan huis deed komen. Al spoedig bemerkte ik, Dat hij zoo tamelijk hield van gepraat en gejok met de meisjes, En dat de oudste vooral hem boeide. Ik maande haar zachtjes Tot omzichtigheid aan met die jonkheid; maar in mijzelve Dacht ik: zedig en stil, zooals ik ze immer gekend heb, Ligt er voor haar wel vast geen gevaar in wat argloos gesnater....

Ach! waarom toch was ik zoo blind!... Dra moest ik berispen, Haar afzonderen, wen hij verscheen; doch vruchteloos!... 'k Smeekte, Dreigde, bezwoer haar bij de gedachtnis heurs zaligen vaders; Al te vergeefs! te vergeefs!... Dan, eindelijk, 't kwam zóo verre, Dat ik in huis 't schandaal niet meer mocht dulden: ik eischte, Dat ze afbrake met hem, of met ons: - zij betrok eene kamer! En.... dàt is er geworden van Begga!... Zwijg, zoo het zijn kan, 't Ergste voor Frans!... Zij was maar mijn stiefkind; doch als mijn eigen Vleesch en bloed heb ik steeds haar bemind, haar mijn dochter geheeten.... O wat is het toch wreed, zóo'n schande voor zóo veel liefde!’ En, op nieuw heur gelaat in den voorschoot bergende, zonk zij Neêr op een stoel, en snikte, om harten van steen te bewegen.

Toen hij beneên in de straat stond, vraagde de Kuiper zichzelven: ‘Liegt dit wijf, of spreekt zij de waarheid?... Arreme jongen! Wat een slag voor zijn hart!... Maar toch, 'k wil alles hem zeggen! Is het dan zoo: welnu, de verachting smore zijn liefde! Is het zoo niet: dan komt hij zelf ras achter de waarheid.’

En, zooals hij besloot, had de vader gehandeld. Hij deelde, Schoon niet in eens, toch gansch en geheel, den verplettrenden uitslag Van zijn bezoek bij Begga's moeder den jongeling mede. Hoe die daar zat en hoorde, en toch niet begreep; en, vernietigd, Waande, 't was alles een droom, en jammrend den grijzaard aan 't hart zonk,

Wie, wie maalt het tafreel van zulk eene grondlooze smarte! 't Was of hij plotselings van zichzelf en zijn vroolijke leven Los werd gescheurd door onzichtbare handen, en nedergesmeten In eene waereld, waar niets in hem meer leefde, dan enkel 't Foltrend gevoel van verbrijzeld geluk en ondraaglijken twijfel.

Reeds eene week is er sinds dien droevigen avond verstreken, En nog schijnt hun geen straaltje van licht in het raadselig duister. Heimelijk hebben ze alom wel naricht over het meisje Trachten te winnen; maar ach! niets is hun ter ooren gekomen, Dan dat ze achter de Vest op een vlieringkamerken huishoudt.

Zoo al 't overige eens niet ware dan logen en laster!...

‘Neen! 't kàn anders niet zijn!’ dus klinkt het op eens door het loover, Onder den beuk, waar Frans is gezeten; terwijl hij van 't mosbed Oprijst, en, door zijn tranen verlicht, weêr flink om zich heenblikt. ‘Zulk een engel als zij, uit zijn hemel van kuischheid en onschuld Eensklaps vallen.... neen! neen! 't ìs niet dan laster en logen!... ‘Maar, 'k wil zelve tot haar, en heur zeggen ik minde u, Begga! Op onzen naamdag kwam u vader ten huwelijk vragen; Doch van uw moeder vernam hij.... En ja! ik zie het van hier reeds, Hoe éen woord van uw mond het gebouw van den laster tot gruis slaat! Voort! 'k wil daadlijk tot haar!’ En hij loopt, hij vliegt naar de stad weêr.

Reeds is hij binnen de poort, reeds wipt hij het straatje aan de Vest in, Reeds ontwaart hij het huis, waar zij woont; - maar plotselings staat hij Pal als een steen: die man, die daar uittreedt? - God! het is Albert!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gevoel en leven · Jan Beers · Poetry Cove