II
Toch sliep hij niet, de brave jongen; Zijn vreugde was te diep daarvoor. Ook kijkt de nuchtre morgendgloor Nauw 't smalle en met papier beplakte raamken door, Of hij is 't leger uitgesprongen.
Onhoorbaar sluipt hij op de teenen naar beneên, Glijdt schichtig naar de bedsteê heen, Licht de gordijn op, zonder een Der ijzren ringen langs de gaarde te bewegen; Maar Vader is alreede ontwaakt; - stil-lachend steekt Hij zijne hand den jongling tegen, En spreekt:
‘Ik wachtte u, Willem! zet u even, Zie zoo! dáar op de bedspond neêr; En hoor een ernstig woord, door 't hart mij ingegeven. Gij weet het, wij zijn arm, en hebben om te leven Mijn zuren arbeid, doch niets meer. Gij kunt nu lezen, kunt nu schrijven, Fluks treedt ge in uw zestiende jaar; Maar 'k vind u al te stil, te droomziek; en, voorwaar, Zóo mag mijn zoon niet langer blijven! Hoog tijd is 't, Willem, dat ge op 't werk uw zinnen zet 'k Beken, ge zijt wel zwak, aan kweling onderhevig; Eer lieflijk-teêr dan kloek en stevig; En, wierdt ge metser, ras, och arme! staakt ge in 't bed. Maar onze Baas, die u, zoo 't schijnt, met welbehagen Reeds menigmaal heeft gâgeslagen, Vindt dat ge een jonker lijkt; hij zegt; Daar steekt in dezen knaap meer dan een metsersknecht. Welnu, ga naar zijn huis, en tracht hem te bevallen. Maar, word geen trotschaard, hoor! lijk ik er velen ken; Want, klerk of ambachtsman, arbeiden moeten allen; En de arbeid adelt even zeer truweel als pen.... Zoo dus, in ij dien waan het hoofd nooit opgeheven! Ja, zie! ik hoop het vast, mijn zoon, dat ge in uw leven, Schoon in een heerenjas gehuld,
Om vaders groven kiel toch nimmer blozen zult!’
Hoe straalden, bij dit woord, des jonglings zachtblauwe oogen! Drie maal omhelsde hij den kranke; en, opgetogen Kwam Moeder hun te gaâr met Zusje in d'arm gevlogen. En 's andren morgends nam de Baas als klerk hem in; En binst vier dagen, die daarop stil henenvloden, Was 't louter vreugd in 't huisgezin.
Maar 's armen vreugdezon heeft spoedig uitgeblonken! Den zondagmorgend, barsch bevel: - ‘De Baas wacht Vader daags daarna op 't werk, of wel Zijn plaats wordt aan een versch gezel Vast weggeschonken.’
't Kanonschot, plotslings losgeknald, Baart minder smarten, Dan dit bevel, wen 't op de harten Der vier rampzaalgen nedervalt.
- ‘Ik ben genezen!’ zegt de vader; en in 't leger Zet hij zich eensklaps overend. Maar, hij 's te zwak.... hij zijgt terug in 't kussen neder.... Er hoeft een week nog, eer hij weder
Aan werk mag denken.... O! vermaledijde ellend! Zijn werk, het is hun daaglijksch brood; En 't weêr hernemen is zijn dood!... Stom blijven ze alle vier. - Maar, als de bliksem, flikkert Er eensklaps een gedacht door Willems brein: zijn oog, Waar vastberaden moed in blikkert, Is onverwijld van tranen droog. Kracht stijft zijn arm, zoo zwak voordozen; Een gloeiend waas Straalt door het bleek van 't lieflijk wezen; 't Kind schijnt op eens tot man gerezen; En zie! daar snelt hij heen, daar treedt hij zonder vreézen De woning binnen van den barschen metsersbaas.
Toen Willem wederkeerde in 't huis van zijnen vader, Was 't zichtbaar dat de smart gansch uit zijn ziel verzwond. Ook trad hij 't bed des kranken nader, Met zoete woorden en een glimlach op den mond:
- ‘Rust, Vader, en herstel! niets hoeft ge meer te schromen; De gansche week gunt u de Baas. Een, die u mint, heeft uwe taak op zich genomen.... En open blijft altoos uw plaats!’
Cookies on Poetry Cove