II
Geest! - sprank uit God, aan stof geklonken In 't menschlijk daarzijn, - wie verhaalt Hoe gij, steeds heller van den glans omblonken Des oorsprongs, waar gij zijt uit neêrgedaald, In strijd op strijd den zege hebt behaald, Tot eindlijk u de staf der aarde werd geschonken!
Ziet! - daar verheft zich de eerste hut, Die tegen 't onweêr 't hoofd beschut Van hem, die 's waerelds kroon moet dragen Daar stormt hij zelf, met boog en knods Gewapend, op het roofdier los, Dat in zijn woonst hem durft belagen; Daar braakt het monster d'adem uit; En hij, - ziet hoe hij weêrkeert met zijn buit, De warme, bontgevlekte huid Fier om de schouders heengeslagen!
Hier! sombre woudos, hier! - en buk Den kortgehoornden kop, die rotsen Versplintert, vreedzaam onder 't juk Van wie uw oog, schoon 't bloed en vuur rolt, kalm durft trotsen! Stil! ros der woestenije, stil! Want, schoon uw trappelende hoeven Den keigrond morzlen en doorgroeven; Al schuimt en snuift gij woede, en hinnikt wild en schril, Toch zal zijn knieëndruk uw forschen rug bedwingen, Zijn hand den breidel in uw tanden wringen, Toch vliegt gij, luistrend op zijn minste gril, Langs vlakten, over heuvelklingen,
Trotsch van met hem den dood in d'open muil te springen, In stoutheid éen, en éen in wil!
Maar hoort! wat galmt daar allerwegen Voor zang en blij geklank ons tegen? Ha! 't zijn de maaiers, die in 't graan Het knarzend staal der sikkel slaan, Wijl ginds een herder, langs des heuvels helling Zijn wit-gewolde kudde drijvend, luid De trippelende tonen zijner fluit Versmelt bij 't lied, dat opstijgt uit de delling!
En in de blauwe verte, - ziet! Hoe hel de zonnestralen glansen Op al die naalden, zuilen, transen, Van marmer en van blank graniet! Dat heet de stad, dat is des menschen woning!... Want al wat groeit of leeft op aard, Al wat de tijd heeft saamvergaard In heuren schoot, - hij heeft het zijn verklaard: Hij is der waereld heer en koning!
Cookies on Poetry Cove