Skip to content
1869

Gevoel en leven

Jan Beers

IV

dood. Daal, stille nacht, en sprei, in mededoogen, Om 't veld des bloeds uw vale vleuglen heen! Berg 's Menschen werk voor alle sterflijke oogen, En, Geestenheir, aanschouwt het, gij alleen! Dauwt kalmte en troost in 't rond! laat stargewemel, In 't brekend oog der stervenden, den hemel

Toelachen doen! voert zacht in mijnen schoot Al wat daar waart aan schimmen door het duister, En lispt hun toe, met zalvend zielsgefluister: ‘Wreed is de Mensch, genadig is de Dood!’ aardgeesten. In den dood weêr broeders thans, Liggen zij daar, bij duizendtallen, Naast en op elkaar gevallen, Spraakloos, roerloos, aaklig; - allen Koud, in den kouden maanlichtglans. Bloedzat zwolg zich de aarde, en hevelt Bloedwalm op, die, log en lauw, Heel de doodsvlakte overnevelt, Met een floers van rossen dauw. Hier verrijzend, ginds weêr smorend, Reutelt over die lijkenzee Golfgebruisch van hartdoorborend Pijngekreun en stervenswee. En, in de verte, hunkren en tieren Kudden van wolven en wolken van gieren,

Op den fledschen geur van 't bloed Langs de vier winden aangespoed.... Komt gij de stervenden niet laven? Komt gij de dooden niet begraven, Mensch? - uw toorn is thans bedaard; Wisch die vlek van uwe woning! Want de Hemel, waereldkoning, Gruwt, wanneer hij blikt op aard. spotgeest. Ziet ge dat dwaallicht langs den grond Rijzende, dalende, slingren in 't rond? Daar zwerft de Mensch, ha! ha! Snuflend als wolf en gier naar buit, Plundert en schudt hij de lijken uit Van zijne broeders, ha! ha!

gewonde. Wat krast en fladdert daar rond mijn hoofd?... Aaklige raven! kunt ge niet wachten, Tot mijn licht is uitgedoofd? Weg! 'k wil sterven in zoete gedachten!... .............. Vaarwel, zoet lief!... in stil geween Heb ik bij 't afscheid u gezworen: ‘Is mij daar ginds de dood beschoren, 'k Zie stervend u, en anders geen!’ En thans - ik voel aan mijne lippen Den laatsten ademtocht ontglippen.... Ik sterf.... en denk aan u alleen! moeder. Mijn zoon! mijn zoon! waar ligt mijn zoon? 'k Wil aan mijn hart hem drukken,

'k Wil hem den dood ontrukken, Mijn jongen, zoo kloek, zoo schoon! Gieren en raven, Hoort gij zijn stem Nergens klagen? Leidt mij tot hem!... 't Kind van mijn schoot.... 'k Zal u mijn leven Bij 't zijne geven, Mag ik nog eens hem kussen, Dood! gewonde. Dorst!... ik heb dorst! Om Godes wil Eénen teug, die 't branden still' In mijne borst! ............. Ha! daar lacht en schittert weder, Door het dichte loof beschut, Vriendlijk-teeder Vaders hut!

Moeder laat het schepvat neder; - Hoor het plompen in den put; - Hoor het sprankelend geklater Van 't naar boven rijzend water.... Moeder! moeder! om Godes wil, Eénen teug, die 't branden still' In mijne borst.... Weg! 't is weg!... ik sterf van dorst! spotgeest. 't Roemvol dagwerk is volbracht! Mensch, slaap op uw lauwren zacht! Droom van 't rijk der eeuwge vrede! Morgen brengt de zon het mede! Morgen wascht ge uw handen, ja! Ha! ha! ha!

geest der duisternis. Pest, Ellende, Hongersnood! De Oorlog sparde 's afgronds schoot Open voor uw blinde woede. Wat zijn zwaard Heeft gespaard Valle voor uw geeselroede!... Voort! voort! op 't nevelpaard! Voort met u drieën; uw is de aard! menschheid. Waarom, rampzaalge waereld, kleeft, Te midden van de zustersferen, Met wie gij 't eindloos ruim doorzweeft, Zoo wreed op u de vloek uws Heeren? Wat baat het, dat de geest u straalt,

Om 't hoofd, o Mensch, met hemelluister, Als gij, beneden 't dier gedaald, Zijn glansen dooft in helleduister? Wat baat de stem, in uw gemoed Luid-roepend: ‘elk bemin zijn broeder Gelijk zich-zelf!’ als gij, verwoeder Dan duivlen, dorst naar broederbloed? Helaas! helaas! komt aan de ellende Dier zelfvernieling nooit een ende? Leeft Caïns zaad dan eeuwig voort In 't menschdom? - woont daar, in dien dooven En blinden hemel, ginder boven, Geen God, die ons gejammer hoort?... Hoor gij dan, Geest des Kwaads, de klachten Des Menschen! - stort hem vuur der Hel In 't brein; ontdek hem wonderkrachten, Waarmeê hij gansche legermachten In éenen slag ter neder vell'. Zoo komt aan 't eindloos broederslachten Misschien een einde; - zoo ontstaat Het goed licht uit het hoogste kwaad. Hoor, Geest der Duisternis, ons kermen!... Of, voelt de Hel zelfs geen erbarmen Voor d' aardworm, dien zijn God verlaat!

geesten des lichts. Looft den Heere! looft den Heere! Al wat leeft en leven zal, In 't onpeilbaar waereldwriemelen Van zijn onbegrensd heelal! Loof Hem, nauw-bewuste plantdier, Wortlend in der zeeën nacht! Loof hem, Lichtgeest, ommetuimelend Langs der heemlen hoogste pracht! En gij, Mensch! gij, dier, waar de engel Reeds met hemelglans in gloort, Meng zoo geenen rauwen wanklank In der schepping vol akkoord! Drukt u 't logge, donkre stofkleed Soms met looden zwaarte neêr, Wanhoop niet, maar denk: daarboven Waakt mijn God en Opperheer! Reeds werd de aarde u tot slavinne Met al wat haar kreits omsluit; Brei thans nog uw heerschappije

Verder op u-zelven uit. Strooi, waar 't nacht is in de hoofden, Waarheids hemelzonnegloed; Stort, waar koude zelfzucht zetelt, Liefdevuur in elk gemoed; Geef gelijkheid, vrijheid, rede Over alle volk beheer, En Gods rijk ontkiemt op aarde, De eeuwge vrede daalt er neêr. Ken, o Mensch, 't geheim des levens! Dwars door duisternis en pijn, Is 't gestadig worstlen, streven, Naar een meer volkomen zijn. 't Is een rustloos zelfvolmaken, Tot het, over 't blinde lot Zegepralend, eindlijk heel wordt, Eén wordt, smelt, en rust in God.

1868.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gevoel en leven · Jan Beers · Poetry Cove