Skip to content
1869

Gevoel en leven

Jan Beers

III

Gered door eenen vrind!.... Er zijn dan toch nog vrinden? O! mocht elk lijdend hart dit steeds bevestigd vinden.... Maar, 's maandags, bij het werk, wordt alles spoedig klaar: Nog zijn er goede zoons... doch, waar zijn vrinden, waar?...

Intusschen is de knaap aan d'arrebeid getogen. Niet op 't kantoor meer.... bij den bouw. O! wat heeft Vader zich bedrogen! Wie, die hem nog herkennen zou? Zie! hij is even kloek als teeder: Hij roert den mortel, breekt den kalk, vliegt vogelvlug, Met bak of steenmand op den rug, De ladders op, de ladders neder; Stout, al te stout, Wipt hij langs stelling, bint en kepers heen en weder; Elk beeft in 't harte, die 't aanschouwt. Hij - lacht bij 't klimmen, lacht bij 't dalen; Hij weet van rust noch ademhalen; Beneden, boven, overal wordt hij ontmoet; En, voelt hij soms zijn krachten falen,

't Klinkt zoo versterkend in zijn binnenst, en zoo zoet: 't Is al voor Vader, al voor Vader, Willem, moed! Ook, waar zijn brave maats ontwaren, Hoe 't sijplend zweet de kroezelharen Hem plat op 't voorhoofd kleven doet, Daar wordt hij soms op eens met handgeklap begroet, Blij uit hun midden opgevaren.

Wat vreugd voor Willem, als de vriendlijke avondstar, Doorbrekende aan de kim, van ver De arbeiders komt ter ruste nopen! Ras in een hoeksken weggeslopen, Ontkleedt hij zich, en wordt weêr jonkertje van her. En, om zijn vader des te beter te misleiden, Praat hij des avonds, met zijn zuster, anders niet Dan van 't kantoor en al wat op 't kantoor geschiedt, En pinkoogt tegen Moeder tusschenbeiden, Die stil-verrukt en dwars door tranen hem beziet.

Zóo gaan drie dagen om; en - weg nu somber vreezen! - De dierbre kranke is opgestaan. Gansch nieuw en wonderzoet lacht hem het leven aan; De donderdag vindt hem genezen; De vrijdag.... 't weêr is zacht.... hij waagt het uit te gaan.

Maar, vrijdag, dag des vloeks, God schiep u voor de smarte!

Door 't koestrend zonneken verkwikt tot in het harte, Begeeft de vader zich al slentrend naar den bouw.... Wie of de vriend toch wezen zou, Die zijne taak verrichten wou? Hem wil hij kennen, hem zijn warmsten handdruk dragen, Hem zien, aan 't werk, met eigen oog!... Vast komt hij dichter. - Maar, geen stervling ginds omhoog; En toch heeft schofttijd niet geslagen.... God! wat een woelen, daar beneên, wat jammerklagen! Baas, werkliên, buren, 't komt al op een hoop gesnord.... Hij vraagt: - o ramp! een diender van de leêr gestort!...

Wellicht zijn vriend?... Het bloed stolt hem op eens in de ader. Hij vliegt; elk siddert die hem ziet; Men houdt hem tegen, roept; - hij hoort, hij voelt het niet... Sterk, worstelt, woelt hij na en nader....

O! arme vader! arme vader! Zijn vriend, zijn redder is zijn kind, Zijn Willem, dien hij daar, zieltogende, ten gronde In eenen bloedplas liggen vindt!

Hij slaakt een rauwen kreet, en staart met open monde, Beweegloos. - Alles snelt ter hulpe toe in 't ronde; Maar 't stervend jongsken hoeft geen hulpe meer, helaas! Half opent hij nog eens zijn reeds gebroken oogen, En zucht: ‘Ik heb de week niet kunnen uitdoen, Baas; Maar, om een enklen dag te min, stel, uit meêdoogen, Geen andren gast in Vaders plaats!’

En kermend, huilend, zich gelijk een zinnelooze Het haar uitrukkend, knielt de vader bij hem neêr. Dan eindlijk, Willem kent hem weêr, Wendt nog eens 't hoofd naar hem, drukt zijne hand een pooze, En lacht hem toe, en.... is niet meer!

Den Metseldiender bleef nu, ja, zijn plaats behouwen. Zelfs, ter verzachting van zijn rouwen, Bood hem de Baas driedubbel loon. Te laat, helaas!... Na luttel dagen Werd de arme vader naar eene andre plaats gedragen.... Op 't kerkhof, nevens zijnen zoon!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gevoel en leven · Jan Beers · Poetry Cove