Skip to content
1869

Gevoel en leven

Jan Beers

II

mensch. Ja, mijn is de aarde! ik ben haar koning!

Ik, die eens machtloos, weerloos, bloot, Als 't ondier opwelde uit haar schoot, En hongrend rondkroop in mijn woning, Waar me alles onheil dreigde en dood! Mij, 't voedend zog, dat uit haar boezem Elk jaar ontspringt in vruchtbren bloesem; Mij, al wat op haar bodem krielt, Wat roeit door 't ruim of door de golven, Mij, wat haar diepte houdt bedolven; Mij, elke kracht, die haar bezielt! Lucht, water, vuur, - ze zijn mijn slaven; Ja, bliksems doe ik heen en weêr Om d' aardbol als mijn boden draven; Want stof is knecht, en geest is heer! spotgeest. Hoor den trotschaard brallen! Ha! ha! Koning zich noemen van allen! Ha! ha! Maar wie over hem gebiedt, -

Hij weet het niet! hij weet het niet! Ha! ha! geest der duisternis. Geesten der Duisternis, op! Gaart om zijn kop Pestwalm uit der Helle kolken, Duizelnevel, zwijmelwolken, Dat hij rede en recht verschop! Blaast in zijn borst Hoogmoed, overheerschingsdorst! Dat de mensch den mensch bestrije, Worstlend om de heerschappije, Volk tegen volk, vorst tegen vorst. aardgeesten (Eerste halfchoor). Wat stikdamp walmt er door de lucht, Met haat, en wraak, en moord bevrucht?

De Mensch, helaas! drinkt, zwijmeldronken, Hem in, en voelt de hemelvonken Op eens gesmoord in zijn gemoed, En droomt van bloed. aardgeesten (Tweede halfchoor). Zie! als een onweêr, boven de kimmen, Grauw als lood, Zwanger van dood, Onheildreigende duisternis klimmen! 't Rommelt, en dommelt, en gromt in haar schoot, Als rollende wagens en trapplende paarden, Als rofflende trommels en klettrende zwaarden! aardgeesten (Choor). Vlucht van de aarde, heilige Vreê, Met de mantelslip voor de oogen! Vlucht! de Krijg komt aangevlogen! Wee!

geweld. Mannen! genoeg geslapen Op 't kussen der muffige vreê! 't Zwaard uit de scheê! Te wapen! Rust is roest voor mannenaard, Macht is 't eenige recht op aard; Te wapen! geesten der duisternis. Te wapen! te wapen! te wapen! krijgslieden. Op! de trompetten weêrschallen, De trommels slaan! - de Vorst gebood! Ten strijd! ten strijd! met vuur en lood. Bij honderdduizendtallen, Den vijand aangevallen! Wij willen zege of dood!

vrouwen. Hoort gij, hoort gij 't nare gebrom Der oorlogstrom? Hoort gij die hartverscheurende tonen? Maagden, moeders, 't is de Dood, Die uw geliefden, uw zonen Ter slachtbank noodt! Vloek! vloek! vloek over 't hoofd Van wie der maged haar bruîgom, Der moeder haar kind ontrooft! krijgslieden. Op! mannen! op! ten kamp gesneld! De naam van wie op 't eereveld Als koene held Wordt neêrgeveld, Blinkt door alle eeuwen henen Van glorieglans omschenen! Op! op! ten kamp gesneld!

arbeiders. Wij streden, Tevreden, Den heiligen strijd, Die sticht en bevrijdt; Den strijd, waar 't zweet bij paerelt In gouden dauw op de waereld, Waar alles bij gedijt. En nu, nu sleurt men ons, als vee, Ten broedermoord, ter slachtbank meê! Vloek! vloek! vloek over 't hoofd Van wie den heiligen arbeid Hoofden en armen ontrooft! krijgslieden. Op! helden, op! door damp en staal, Door vuur en schroot, Ten zegepraal, Ten gloriedood!

't Is zoet in 't graf te slapen Met lauwren om de slapen! Op! op! van wijd en zijd! Ten strijd! ten strijd! ten strijd! spotgeest. Heisa! jubelt, Geesten der Hel! 't Gaat in gang het bloedig spel! Ziet ze wriemlen, ziet ze draven, Domme hoop van blinde slaven, Moord- en slachttuig in de hand Van een dronken dwingeland. Wie hun woede gaat verscheuren Werd nog straks als broêr begroet; Maar thans draagt hij om zijn hoed Eene veêr van andre kleuren, - En dat vordert wraak en bloed!

geesten der duisternis. Heisa! jubelt, Geesten der Hel, 't Gaat in gang het bloedig spel!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gevoel en leven · Jan Beers · Poetry Cove