Skip to content
1869

Gevoel en leven

Jan Beers

III.

Jaarduizenden zijn op den vloed Des tijds ter eeuwigheid gespoed. Doch, wie den blik in dit verleden Terugslaat, - vast dat hij geen dag ontmoet, Waarop de geest en 't stof geen nieuwen strijd gestreden, De mensch geen nieuwen zege heeft begroet.

Het was vergeefsch, dat de Oceaan, Vol toorn zich 't hoofd in wolken hullend, En in zijn diepste diep van woede brullend, Hem toeriep: ‘Worm! gij zult niet verder gaan!’ Hij, stout de hand ten sterrenhemel Uitstekend, sprak: ‘Gij zult mijn baan Afteeknen over 't golfgewemel! En gij, o winden, zult gedwee Op uwe vleugelen mij dragen, Tot waar een nieuwe waereld op zal dagen, Aan wie ik nieuw genot ga vragen; Dit is mijn wil; en thans - in zee!’

En, vroolijk-dansend op den rug der baren, Daar steekt het waterslot van wal, Met donderknal op donderknal Begroetend wie het na blijft staren; Daar heeft het niets meer om zich heen, Dan lucht omhoog en zee beneên; En, hoe de storm het opzweept naar de wolken, Met steeds verwoeder doodsgehuil, Of plettrend neêrsmakt in den muil Der opgesparde waterkolken, - Voort gaat het, dagen, maanden voort, Van vreeze wetend noch van ruste, Tot dat het eindlijk aan de moederkuste Weêr aanlandt, met den schat aan boord Der tweede waereld, die het ginds heeft opgespoord!

Wat wonderkracht houdt zich verscholen In water, lucht, of 's aardrijks schoot, Aan wie de mensch niet heeft bevolen: ‘Wees mij een knecht, die meê mijn schat vergroot!...’ Een enkele is er, éen ter waereld, Voor wien zijn hoofd, van angstzweet overpaereld, Zich machtloos nederbuigt: - de Dood!... En dan nog, waar die dwingeland van de aarde

Hem wegrukt, leeft, van eeuwig licht omgloord, Al 't innigst wezen van zijn wezen voort, In elk gewrocht, waarin zijn ziel zich openbaarde!

Ziet! hoe hij ieder ideaal, Dat hem 't geschokt gevoel voor 't scheppend brein doet zweven, Aan kleur en lijn boeit, kneedt uit marmer of metaal, Bewonderd bij de laatste neven; Hoe hij 't onvatbaar trillen van de lucht, De melodie, die van zijn lippen zucht, En wegsterft, - vangt en kluistert aan het teeken; Hoe, wen het graf sinds lang zijne asch bevat, Zijn woord, vereeuwigd op het vliegend blad, Met honderdduizend tongen voort blijft spreken, Gelijk een vonkenregen, heel den schat Van licht of gloed, eens zijner ziel ontspat, Uitstrooiend over alle waereldstreken!

En toch, toch was 't hem niet genoeg, Dat, waar hij sprak, de Drukpers zijn gedachten Van 't een naar 't ander eind der waereld droeg, Nog sneller dan op aadlaarsschachten; Zoo dikwijls had hij, in haar vlucht, De duive, met afgunstige oogen,

Nastarend, heimelijk gezucht: ‘Wanneer, wanneer toch zal ik d'afstand mogen Als gij bespotten, en wegtuimlen door de lucht?’

En daar weêrklinkt het eensklaps: ‘'t Is gevonden! Ge zijt verwezentlijkt, mijn schoonste droom! De laatste kluister, die mij hield aan 't stof gebonden, Valt af! - de ruimte is voor mijn wil verzwonden: Ik vlieg - op vleugelen van stoom!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gevoel en leven · Jan Beers · Poetry Cove