V
Ja! rol, op breed-ontplooide schachten,
Uw zwarte wolken door de lucht;
Gier, bulder los uit al uw krachten,
Orkaan! - hij volgt u in uw vlucht!
Hij snort u voor! - en mengt van onder
Zijn raatlen tergend in uw donder,
En braakt, reeds op den horizon,
U nog een laatsten smookwalm tegen,
Vóor nog het plassen van uw regen
't Vuur dat hij uitwierp, blusschen kon!
Hier stuwt een vloed zijn breede wateren
Hem in den weg: voort! huilt hij, voort!
En wipt zijn sleep, met zeegrijk klateren,
Stout over op den andren boord.
Ginds stuit hij op der Alpen wanden:
Voort! voort! dwars door hunne ingewanden!
Voort! - en hij boort en ploft er door,
Hol-dondrend, en 't versmachtend donker
Van 's aardrijks hart bij 't woest geflonker
Verlichtend van zijn bliksemgloor.
Ruk! ja, ruk voort van 't Oost naar 't Westen,
Ruk voort, o Reus, van Noord naar Zuid!
Sprei tot aan de uiterste gewesten
Der aarde uw machtige armen uit!
Snoer stad aan stad, hecht land aan landen,
Wind d'aardbol in uwe ijzren banden,
Langs waar beschaving, overvloed,
Gestadig heen en weêr gedragen,
Rondstroomen op uw vleugelwagen,
Gelijk door 't lichaam 't levend bloed!