Skip to content
1869

Gevoel en leven

Jan Beers

II

't Is of een tooverpaleis u werd ontsloten, als ge eensklaps Zoo van de donkere straat op het bal treedt ‘Onder de linden.’ Waar gij de oogen ook wendt, 't zijn gaslichtzonnen en bogen, Flonkerfestoenen, van boom tot boom voortslingrend, en duizend- Kleurige gloorlantarens, omhoog alom in het bronsgroen Welfsel der bladeren wagglend en wieglend, als vurige vlinders. En, in den menschlijken vloed, die onder dat tintelend lichtdak Af- en aangolft, wat een gejoel, wat vreugdegeschater! Hoor! daar geeft het orkest weêr 't sein tot den wals: en de paren Stormen de middelste laan bij honderden binnen, en vallen,

Als in een maalstroom mede- gesleept, aan 't zwirlen en zwaaien, Horten elkaâr, en storten weêr voort, en verschijnen, verdwijnen, Altijd sneller, en wilder, en woester gezweept in het ronde.

En in de beuken ter linker en rechter, aan tafeltjes, zitten De oudren van dagen, die 't woelen der jeugd met genoeglijken glimlach Gâslaan, en in stilte hun zoet jonk leven herdenken, Of, blij-snappende, elkaâr met den schuimenden beker bescheed doen. Verder, waar 't licht niet meer dan weifelend dringt door het loover, Sluipen gelieven voorbij, als duistere schimmen, of zoeken Dichte priëeltjes, om van den vermoeienden dans te verpoozen, En soms, ja! bij 't fluistrend gepraat gladweg te vergeten,

Hoe daar ginds de muziek hen meermaals vruchtloos ten dans riep.

Hebt ge Coleta nog niet ontmoet in 't gewriemel? - Daar keert zij Van de galop, aan den arm haars dansers, terug bij heur moeder. Blijft er al hier en daar een meisje, door 't fladderend leger Der rondzoekende vrijers vergeten, bij de oûkens, - Coleta Heeft, van toen ze verscheen op het bal, geen enkelen dans nog Overgeschrikkeld. En toch, - zoo als ze daar zit, hoogblozend, Stralend, naar 't schijnt, van genot, - toch drijft er een wolkje van wrevel Langs haar voorhoofd; toch, wanneer ze somwijlen, gestolen, Ginds, naar den anderen kant van den hof blikt, vonkelt er eensklaps Als een bliksem van spijt in die gitbruine oogen, en loopt er

Over dit kersrood mondjen een vluchtig, maar pijnlijk gesidder. En hare moeder, - het is of een zelfde gevoel ze bezielde! Loerende wandelt haar blik steeds overendweêr van Coleta Ginds, naar dit ergerlijk plekje, en terug naar heur dochter; en telkens Gloeit er een toorniger vuur in dien rusteloos dwalenden oogslag.

Want, God weet hoe lang! is Frans van den Kuiper op 't bal reeds, Zwevend van jong naar oud, van mooi naar leelijk, en even Lustig en los in 't gewoel van den dans omzwierend met allen; Doch voor geene enkele beurt nog heeft hij Coleta genoodigd.

Merkt hij ze dan niet op?... Of, hemel! is 't duister vermoeden,

Dat in haar binnenst verrees, tot beschamende waarheid geworden? Heeft hij 't bediedenisvolle aanlachen en knikken der moeder, 't Loddelijk lonken en blozen der dochter begrepen, en wil hij Thans haar eens en vooral doen voelen, hoe vruchteloos beider Aanval blijft op zijn hart? doen voelen, dat de eenige Begga.... Doch, neen, neen! Goddank! want zie, daar wendt zich de kroeskop Plotselings herwaarts, staart eene wijle verwonderd, en stort dan, Met eenen lach zoo vrank en hartelijk, dat hij, als 't ware, Uitstraalt om zijn gelaat, door volk, en tafels, en stoelen, Recht op Coleta los: ‘Wat!’ roept hij, ‘star onzer buurte, ‘Valt ge zoo plots uit de lucht, dat ik u van den ganschigen avond ‘Nog niet eens heb ontmoet? Wel! wel! dat betaalt ge mij daadlijk

‘Met mij den dans, waar ginder het sein toe weêrklinkt, te vergunnen!’ En, al mompelt Coleta, die moeilijk haar vreugd kan verbergen, Maar het toch voegzaam acht hem een pruilerig mondje te toonen, Iets van ‘och! zoo vermoeid, en zoo laat,’ zachtdwingende legt hij 't Handeken, dat hij alreeds omklemt, op zijn arrem; en beiden Huppelen voort naar de laan, waar de polka juist aan den gang gaat.

't Moet wel een loodzwaar pak, een nare, benauwlijke droom zijn, Wat in dit krachtige ‘ha!’ der moeder op eens van het hart rijst. Met wat blijden triomf oogt zij 't wegtrippelend koppel Na! hoe wentelt haar blik meê om in de onstuimige wieling! Hoe volzalig verschuilt ze heur glimlachje achter den zakdoek,

Wen ze het paar na den dans niet terug ziet keeren, maar nog wat In 't halfdonkere loof rondwandlen als echte verliefden. En - is 't een droom? - of staan ginds beiden weêr aan de kadril niet?...

O! 't was dan toch valsch, haar vermoeden!... En hoe kan 't anders? Frans, zoo'n roos op 't veld, zoo'n meid als Coleta voorbijzien, Voor dat bleek en treurig gezicht van de andre?... Van de andre!... Arreme Begga, die t' huis, in den eendigen nacht, op uw kussen, Als een slaaf in de boei, nog steeds zit nedergebogen, Wél u! dat ge den blik, die dat woord vergezelde, niet opvingt! Wél u! want hij had licht u 't harte versteend in den boezem.

En toch waant zich die vrouwe verschoonbaar. Er heugt haar een tijd zelfs, Dat ze geen zweem van haat in heur binnenste voelde voor 't stiefkind. Enkel haar man had schuld, zoo loog haar geweten, aan alles.

Eender van leeftijd, en buurkinderen, waren zij, immer Samen, tot maagd en jongling gegroeid. Zij minde hem vroeg reeds, En hij haar, met een vreedzame liefde, die jaren geduldig Wachtte, tot hij in staat zou zijn om 't brood te verdienen Voor 't aanstaande gezin. Doch eens rees daar in hun hemel, Steeds zoo zonnig en blauw, een wolkje, dat langzaam tot onweêr Groeide; en de kostbare band, door tijd en gewoonte gestrengeld,

Lag ontbonden. Zij dacht: de geliefde zal spoedig berouwvol Wel weêrkeeren tot mij! En, toen na weinige weken Die steeds klimmende hoop tot zekerheid scheen te gedijen, Hoorde zij eensklaps 't nieuws: ‘hij gaat met eene andere trouwen!’

Schrikkelijk trof haar die slag; en nooit, dit had ze gezworen, Zou ze dien moord, op heur harte gepleegd, den ontrouwe vergeven. Doch, twee jaar nadien, werd hij vader en weeûwenaar tevens. Dagelijks moest hij haar venster voorbij, als hij toog naar zijn winkel. En - hij zag zóo bleek, hij wierd zóo mager, dat, ondanks Haar steeds bloedend gemoed, een ‘och arme!’ haar dikwijls ontsnapte. Soms zelfs keek hij haar aan, van terzij; maar, hemel! zoo treurig,

Dat ze er geheel ‘ik weet niet hoe’ van wierd aan heur harte. Eindlijk, een toeval bracht hen bijeen. Hij stamelde, smeekte; Zij gaf toe, en aldus was 't toch tot een huwlijk gekomen.

't Kindje van 't vorige bed, - dat woord, ze verpandde het plechtig, - Zou steeds wezen voor haar als heur vleesch en bloed. En het zieklijk Dochterken werd inderdaad zoo zorglijk verpleegd, dat het spoedig Weêr opbloeide, en de vader, van dankbaarheid schreiende, zegde: ‘Schonkt gij mijn Begga 't leven al niet, toch, vrouw, gij behieldt het!’

Maar, nu kwam weldra ook kleine Coleta; en, schoon zij Thans eerst waarlijk begreep, wat het zegt zijn kindje, zijn eigen

Leven te drukken aan 't hart, en moeder te heeten, - de moeder Kweet steeds even getrouw hare plicht opzichtens het stiefkind. Enkel, wanneer heur man bij avond of morgend de kleintjes Zegenend kuste, of soms er meê speelde, dan merkte zij meermaals, Hoe hij een hartlijker kus aan Begga gaf, of Coleta Nooit zoo lang op zijn knie liet schommlen als 't oudere meisje. En dit griefde haar diep. Toch wist zij 't gevoel te bedwingen, Dat bij dien aanblik telkens zoo wrang opwelde in haar boezem; En zij omringde het kind, dat hij liefhad boven het hare, Steeds met de eigenste zorg; ja, maakte zich diets, dat het licht niet Was dan een zwak bij heur man, een treurig herdenken aan alles Wat hij doorstond met dit meisjen, een gril van 't ouderlijk harte,

Dat zich 't innigst verkleeft aan het kroost, waar men meest meê getobd heeft.

Dan, op een avond, - hij zat bij de kachel, en wiegelde Begga, Toen al vrij wat groot voor dit spel, uit ouder gewoonte, Zachtjes in slaap op zijn schoot. Zij sluimerde. 't Lied, dat hij neurde, Was op zijn lippen onvoelbaar tot zwijgen verstorven. Zijne oogen Baadden het vlasblond kopje der slaapster in stroomen van teêrheid. Eindelijk zwol er een traan in op, die over zijn wangen Langzaam biggelde op 't kind, en 't ruischte als muziek uit zijn ziele: ‘O gij aanbiddelijk beeld van uw dierbare, zalige moeder!’

En dit woord had de vrouw onderschept! - Zij verkropte en begroef het

Diep in heur hart, waar 't zonk als een ijsklomp, alles bevriezend, Stak, als 't roestende staal van een dolk, in de wonde gebroken.... ‘O gij aanbiddelijk beeld van uw dierbare, zalige moeder!...’ Ha! 't was dan 't kind niet wat hij aanbad in zijn kind! 't was de moeder!... Zij, die zijn liefde heur stal, en stierf, was dan toch niet gestorven! Neen, zij verrees, zij leefde in zijn Begga! Dagelijks werd zij Onder hare oogen gekust door hem, en gekoosd, en geliflaft! En die Begga, - zij zou ze niet, ja! stiefmoederlijk haten!...

Maar, na menigen dans, daar huppelt het jeugdige tweetal Weêr naar de moeder terug, die hun nog een poosje van rust gunt;

En, oprijzende, dan met een glimlach spreekt tot haar dochter: ‘Nu, Coleta, mijn kind, is 't genoeg, zoo dunkt me, voor heden. ‘'t Wordt vrij laat; en Frans zal ons toestaan....’ - ‘Wat! al vertrekken!’ Valt de onstuimige knaap thans in; maar de moeder: ‘Wij moeten Morgen, of liever van daag! al vroeg weêr te been en aan 't werk zijn.’ - ‘Wel, dan keert ge toch zoo alleen met u beiden niet huiswaarts! ‘Of waar zouden de naaste geburen u anders toe goed zijn?’ En, met een koddigen zwaai zich plaatsende tusschen de vrouwen, Biedt hij 'nen arm aan elk, en sjouwt er mede de straat op.

Onder het luchtig gesnap van den Kuiper, en 't blijde gevoel, dat Dochter en moeder om 't zeerst aan zijn zijde het harte doet popplen,

Is al spoedig de weg, die hen scheidt van hun woning, doorloopen; En, zelfs eer ze er aan denken, bevinden ze zich aan de deure. ‘Wat! daarboven nog licht?’ vraagt Frans opkijkend; ‘zou Begga Nog op u wachten?’ - ‘Dat 's niet onmogelijk,’ grinnikt de weduw. - ‘O, dan moet ik haar nog goên avond wenschen, of 'k slaap niet!’ En hij boldert, de vrouwen vooruit, den donkeren trap op. ‘Steeds aan den arbeid!’ roept hij, en grijpt 't opschrikkende meisje Beide heur handen; ‘o! dat 's niet wel, als ieder ten dans gaat. 't Was zoo prettig op 't bal; en gij slechts, Begga, ontbraakt er.... ‘'t Speet me, dat gij er niet waart; arm kind, ja, 't speet me!’ En zijn stemme Klinkt bij dit zoete ‘arm kind, ja, 't speet me!’ zoo diep en zoo teeder, Dat hij er zelf, als beschaamd, een poosje van stokt. Doch op eenmaal

Zijn luchthartigen toon hervattende: ‘Nu, 't zal uw beurt zijn Vast de toekomende maal; en onthou het! dan danst ge met niemand, Dan met vroolijken Frans, uwen ouwen getrouwen! verstaat ge!’ En, met een handkus, draait hij zich om, en is weder de deur uit.

Niet een woord wordt onder de vrouwen gewisseld. - Zij zoeken, Als drie beelden, bewogen door heimlijke raadren, haar slaapsteê.

‘'t Speet hem dat ik er niet was!’ lispt Begga, vóor hare sponde Weenende nedergeknield; ‘stil, o mijn harte! zij stil toch!’ - ‘'t Speet hem dat zij er niet was!’ grijnst, ginds in den donkre, Coleta,

Wijl ze 't verstikkende keurs losrukt van haar zwoegenden boezem. - ‘'t Speet hem dat zij er niet was!’ knarstandt op heur kamer de moeder, En balt dreigend de vuist: ‘O! nu is het tijd om te handlen!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gevoel en leven · Jan Beers · Poetry Cove