I
Bij de oevers, die de Neeth stilzwijgend, onverpoosd, In frischheid baadt, en kust, en koost, Met vroolijk-weemlend golfgetoover, Houdt zich een huisken schuil in 't zangrig olmenloover; En in dit huisken, zeekren morgend, juist op 't uur, Dat binnen Lier een troep van koene jongelingen Den blinden keus des lots uit de urn ophalen gingen, Droomde eene maged. Nu eens bad zij, louter vuur; Dan wist ze langer niet wat doen, trad heen en weder, Zeeg op een stoel, sprong recht, en zette op nieuw zich neder. Gij hadt gewaand, daar bruischte een storm in haar gemoed.
Of wel de gloênde boôm verzengde haar den voet.
En zij was schoon nogtans. Al 't liefelijkste paarde Zich saam in haar, dat nooit gepaard mag gaan op aarde: Fijn lende, melkwit vel, zwart haar, met oogen, zacht En donker-blauw gelijk de nacht; En dan een zwier zoo eêl, dat ze onder haar vriendinnen, Boerin, een juffer scheen te midden der boerinnen.
Zij wist dit alles wel: in 't hoeksken naast heur bed Had zij 'nen kleinen spiegel hangen. Doch heden bleef die onverlet; Iets anders had haar ziel bevangen; Want dikwijls, 't hoofdje schuw opstekend in de lucht, Bloosde of verbleekte zij bij 't nietigste gerucht.
Doch, daar komt Anna, haar gebuur, in huis getreden. 't Is wel te zien bij d' eersten blik, Dat die heur harteken ook poppelt van den schrik; Ras echter maakt ze zich een reden, En is haar 't leed, zoo als ge merkt, van 't hart gegleden.
‘Ge schijnt zoo vroolijk, Anne,’ aldus vraagt de eerste, ‘och God!
Ze zijn er uit dan?... Zeg! is hij er uitgelot’ - ‘'k Vernam nog niets, vriendin; den moed niet opgegeven! 't Is middag; aanstonds gaan we zien. Maar wat toch staat ge daar gelijk een riet te beven? Viel Frits er in, voorwaar, ge stierft er van misschien!’
- ‘Ik weet niet.’ - ‘Wel, gij kind! van minnesmart te sneven! 'k Heb Jozef lief; en, trekt hij op, ja zeker zou Ik om hem weenen menigwerven; Maar! ziet ge, liever wacht ik, minnend en getrouw, Op hem, dan dwaas voor hem te sterven. O! 't is een wijze spreuk die zeit: Geen jonkman sterft er om zijn meid. En toch, die wegtrekt, zeg, moet die niet meerder derven, Dan wie te huis blijft en verbeidt?
Kom, ban uw leed! en, om zoo verre te geraken, Laat me u de kaart eens leggen; mij Heeft ze alle goeds voorspeld van morgend; thans gaat zij U 'tzelfde doen. O, 'k wil u kalm, lijk ik ben, maken! Let op! daar spreekt de kaart, die al Uw zwarten angst verdrijven zal.’
En 't levenslustig ding doet haar vriendinne zitten; Het dartlend lachje zwijgt in eens op hare lippen; Rap en bevallig spreidt zij over eenen hoek Van 't tafelkijn een lapje doek, En tevens blikkert in heur handje 't kaartenboek.
Droef harte laat zich ras verleiden. De zoete Martha voedt reeds hoop en beeft niet meer. Maar dit verschriklijk spel benauwt hen toch zoo zeer, Dat aan de lieve mondjes beiden, Als maakten zij maar éen, dit deuntje komt ontglijden: ‘Kaartjes helder ende fijn, Wilt ons heden gunstig zijn; Klaveren Boer en Harten Vrouw, Meldt ons liefde zonder rouw!’
En daadlijk wordt nu 't spel om en herom gesmeten, Gedeeld in hoopkens en drie malen ondersteken. Thans afgenomen! eens, nog eens, een derden keer! Goed teeken! de eerste is Harten Heer! De kaarten schikken zich op tafel in halfronden; Stom zijn de beide rozenmonden; De twee paar oogen, angstvol-lachend opgespreid, Gaan meê met ieder blad, dat uit de vingers glijdt.
Op Martha's lippen komt in 't einde een lachje zweven: Daar hebt ge Harten Vrouw, en Klaavren Boer volgt na! Valt nu geen Schoppen zwart daar neven, Gered is Frits! en 't spel staat overheerlijk, ja! Reeds zeven Schoppen weg! slechts éentje rest van allen! Wie, die althans nog vreezen zou? De geefster glimlacht, toeft een poosje, als om te mallen; Maar, als een doodshoofd, dat zou op een feestdisch vallen, Valt Schoppen Vrouw, En schatert: rouw!
En, langs den rijweg, breekt de ratelende trommel Op eens in hel geroffel uit, Dat samenpaart met wild gestommel, En schel geluid Van veêl en fluit, En zang, door bosch noch berg gestuit. Licht raadt ge 't: zij, wier zangen schallen, Zijn de gelukkigen, wien, onder duizendtallen, De groote Daemon van den oorlog sprak: weest vrij! 'k Laat u den lande uit medelij. Zie, hoe ze hupplen, hoe ze dansen op twee reien; Elk draagt aan zijnen hoed het nummer, dat hem redt;
En al de moeders, zich rond hen verdringend, schreien Van vreugde, of staan van smart verplet.
Wat oogenblik voor de arme meiden, Die 't vreeslijk kaartspel had gestort in angst en leed! 't Gerucht komt nader; Martha, de eerste van hen beiden Springt naar het venster, wil een eind zien aan heur lijden, Maar deinst terugge, slaakt een kreet, En ploft, koud als een lijk, met bleek-bestorven monde, Naast heur vriendinne neêr ten gronde....
De kaarten hadden 't wèl voorzeid!
Bij de uitverkoomen, die van 't lot begunstigd waren, Was Jozef, maar geen Frits te ontwaren; Frits trok, o wee! Slechts nummer twee!
Drie weken later, trad, langs perk en bloemenpaden, Luchthartige Anna uit de kerk in bruidsieraden. En ginds, in 't rouwend huis, sprak de arme loteling, Frits, met den ransel op den rug, en vochtige oogen, Tot zijn beminde, die, in smarte weggetogen, Luid snikkende aan zijn boezem hing:
‘'k Moet henen, Martha, 't zoet geluk wil ons begeven; Maar uit den krijg keert meer dan een; Ik heb geen vader, 'k heb geen moeder; u alleen Mag ik beminnen hier beneên. Spaart ooit de wreede dood mijn leven, Dit leven hoort u toe; dus, Martha, hoop en moed! Eens breng ik 't, als een schat van liefde, voor uw voet!’
Cookies on Poetry Cove