II
Weder tooit de lieve Mei Heg en hei, Veld en wei. 't Is éen gloed van schitterkleuren, 't Is éen wolk van balsemgeuren; Weder tooit de lieve Mei Heg en hei, Veld en wei, Met een bonte bloemensprei. Hoor in bosschen, hoor langs dalen, Leeuwerikken, nachtegalen,
Luider, blijder steeds herhalen 't Zoet gegorgel, 't hel geschrei: Welkom, welkom, lieve Mei!
En t' allen kant verneemt men niet dan vroolijk zingen, En t' allen kant ontwaart men niet dan lustig springen. Dan, eindelijk, de lente vlucht; De vreugde met haar speelkornuiten Blijft buiten;
Alleen een zoete stem, daar binnen, kweelt en zucht:
‘De zwaluwen zijn weêrgekomen; Ik zie ze beide in 't nestje, dáar! Doch, vogeltjes, gij moet niet schromen, U scheidt m', als ons, niet van elkaâr! Zij fladdren neder, zie! haast raken ze mijn haar; Wat zijn ze gaaf en glad van veren, Wat lief gekwetter onder 't heen en weder scheren! God! de eene heeft den zijden band Nog aan heur halsje, dien er Frits zelf ommestrikte, Verleden jaar, wanneer ze gouden vliegjes pikte Uit onze ineen-geklemde hand....
Zij zagen Frits zoo gaern; hunne oogen Gaan reeds hem zoeken nevens mij; Maar, arme vogeltjes, 't is vruchtloos rondgevlogen, Frits zit niet meer aan Martha's zij! Ik zit alleen, ik zit en zuchte, Daar vriendschap zelf mijn klagen vluchtte. Maar gij, blijft hier! mijn kamerkijn Ligt in den morgendzonneschijn; 'k Zal alles, alles doen, opdat gij 't vroolijk vinde; Blijft, vogeltjes, die Frits beminde, 'k Moet u vertellen van den allerliefste mijn!
Ze zijn niet dartel meer, geen zierke; 't Is of ze voelden wat genoegen mij dit doet; Ze kuizlen samen! Arm gedierte! Ja, kuizelt lang te zaam; uw heil is mij zoo zoet. Ik min ze, want ze zijn mij trouwe, En Frits gelijkt hun: trouw, o! dat is Frits, voorwaar. Maar, niemand die hen dooden zoude; En menschen dooden toch elkaâr!
Waarom geen tijding meer? Maar, God! waar is hij, waar? Mij dunkt ik hoor reeds: “hij is dood!” gedurig beef ik; Dit eeuwig vreezen worgt mij 't hart;
O, Moeder Gods, verlicht mijn smart! Want teringkoorts verknaagt me, en langzaam stervend leef ik: En toch, hoe me ook de kracht begeeft, 'k Wou leven, God! zoo Frits nog leeft!... Waar zijt ge, zwaluwtjes, mijn lieven? Ach! 'k heb te luid geklaagd, ik deed u henen vliegen; Keert weêr, brengt mij geluk, keert in mijn zonneschijn; 'k Zal zachtjes zuchten, dat gij 't niet te treurig vinde; Blijft, vogeltjes, die Frits beminde, 'k Moet u vertellen van den allerliefste mijn!’
En daaglijks zat aldus de weeze droef te klagen. Heur oom, goede oude, sloeg haar gade, 't hart doorboord. Eens heeft ze hem een traan in stilte weg zien vagen, En sinds wil Martha ver van zich die treurnis jagen; 't Een hart is kloek en sterk, niets kan het ander dragen: De treurnis zegevierde, en Martha kwijnde voort. En 't wufte volk, altoos bereid om kwaad te denken, Wou, spottend met haar leed, er geen geloof aan schenken. Nogtans, toen Allerheilgen kwam, Toen m' in de Mis een wagglende' ouwe Twee kaarsen offren zag voor d' altaar der Lievrouwe, En 's Priesters woord daarop vernam:
‘Een jonge lijderes hoopt de eeuwge ruste te erven: Bidt, goede zielen, bidt voor Martha, die gaat sterven.’ - Toen boog elk 't hoofd beschaamd ten grond, En 't Onze Vader gleed betraand uit ieders mond!
Toch zal zij leven! Zie, de morgend is verrezen; Vul op weêr 't graf, voor haar bereid! Heur oom heeft, naast heur sponde, een enkel woord gezeid; 't Ziek harte ving het op; dit woord moet haar genezen.
Zij is gered!... Weldra glimt de oude levenssprank In d' oogbol; frisscher bloed doorbloost het marmerblank; Met warme golpen stroomt weêr kracht door heel haar wezen. ‘'t Is alles klaar,’ heeft de oom al lachend haar gemeld. En 't meisjen antwoordt: ‘Dan aan 't werk! aan 't werk gesneld!’ Ja, wie gelooft het? Martha, van de dood verrezen, Leeft weêr voor liefde, maar voor liefde tot het geld. Geld! geld! dat wil ze; geld, dat doet haar boezem branden; Dat zou ze koopen met haar bloed. Doch moedige arbeid schenkt het steeds aan kloeke handen: Dies kloek is heure hand, en heure ziel heeft moed.
Daar ginds in dit huisken, Zoo lachend en net,
Wie heeft er dat winkeltjen Opgezet? Wie staat er als koopvrouw Achter den toog, Steeds metende en wegende Nat en droog? 't Is Martha! - En van alle kanten Loopt m' in het dorpken naar den nieuwen winkel heen; Want ze is zoo goed, zoo knap, zoo vriendlijk voor elkeen! Een sneeuwbal, groeiend steeds in 't wentlen, zijn heur klanten; Nu telt ze er twintig, morgen veertig; - en zoo koomt Des hemels zegen, In gouden regen, Gestaâg heur winkeltje ingestroomd.
Dus gaat een jaar voorbij. Gelukkig arbeidt Marthe; Want Frits en is niet dood, ze hebben hem gezien. Meermalen flauwt heur arm, en voelt ze naar heur harte 't Bloed, koud van schrik, teruggevliên, Als daar weêr nieuws komt van een veldslag uit de verte; Maar spoedig is haar moed hersteld, Wen zeker regiment in 't nieuws niet wordt vermeld.
Eens, dat ze tusschen licht en donker samen zaten
In 't achterkamerken te praten, Sprak de oom: ‘Gij weet het, Martha mijn, Daar moeten duizend kronen zijn, Eer gij 't geluk, waarnaar uw hartje tracht, moogt smaken; En dat ze er komen zullen, ja! Dat 's zeker; - kijk maar in de lâ! - Veel kleintjes ras een grootje maken. 't Huis blijft dus onverkocht: uw winste, met het geld Van onze wei, maakt ruim de helft reeds, wel geteld. Nog een half jaarken; - ja! geluk is duur om koopen; Maar driekwaart hebt ge reeds van 't steile pad doorloopen; Thans moedig voort naar 't eind der baan! Ik, zie! ik ben te vreê: 'k zal vóor het henengaan U zóo gelukkig zien! blijf, Martha, blijf dus hopen!’
En toch bedroog hij zich, de goede grijze; want Twee weken later lei de dood op hem de hand, En werd zijn graf van Martha's tranen stil bedropen. Een zeekren avond hoorde er iemand 't arme kind Op 't kerkhof snikken: ‘Och! de kracht, de moed begeeft mij; Schim van een oom, die mij zoo innig heeft bemind, Ik kan niet wachten meer, vergeef mij! Mijnheer Pastoor zegt dat ik mag!’
En heel 't verbaasde dorpken zag, Bij 't krieken van den andren dag, De meubels, 't winkeltje, het huisken, Al wat zij 't hare noemen mocht, Van meester wisslen, door de weeze in eens verkocht. Niets hield ze, dan een gouden kruisken, En 't kleedje, blauwgebloemd op rozerooden grond, Waarmeê haar Frits zoo aardig vond. Zij wilde goud; - 't goud is er heden; Haar duizend kronen heeft ze, ja! Doch waar, waar gaat ze, nog zoo jong, die aan besteden? Waaraan? - o! denk ik daarop na, Arm kind, ik voel mij 't hart van naamloos wee doorsneden.
Zie! zie! daar trippelt ze over straat, Heur huisken ijlings uitgetogen! Zeg, lijkt ze, bigde in 't rouwgewaad, Den engel niet der Smart, die komt teruggevlogen Naar 't wuft geluk, dat, met een halven lach in de oogen, Van verre hem te wenken staat? Ze is als het weêrlicht: 't vlugge voetje, in 't voorwaartsvaren, Raakt aan den grond niet, glijdt er zachtjes over heen.... Reeds is ze in 't huis van stilte en kalmen ernst getreên, Alwaar een man, gansch sneeuw der jaren,
Haar welkom heet met gullen mond.
‘Mijnheer Pastoor,’ zoo spreekt ze, en buigt de knie ten grond, ‘Ik breng u heel mijn schat; thans kunt ge tijding geven. Gij, steeds mijn toeverlaat en leidsman, koop hem vrij. Verzwijg nog wie hem redt: hij zal 't wel raden, hij! Spreek van geen Martha nog, en wees niet bang voor mij; 'k Heb kracht in mijnen arm, 'k zal werken om te leven; Geef mij hem weêr, och! Heer Pastoor!... heb medelij!’
Cookies on Poetry Cove