II
Zoo sprak hij in zijn kracht. - Ruim vijftig volle jaren Zijn sinds hem over 't hoofd gevaren, In stâgen arbeid, in onafgebroken strijd. Zijn taak is af; thans gaat hij rusten voor altijd.
Daar ligt hij op de veege sponde, Die hij sinds maanden niet verlaat, Slechts wachtend dat de zaalge stonde, Waarop hem God zal wenken, slaat. Reeds is er op die wezenstrekken, - Wasgeel bij 't zilverwitte haar, - Niets van het aardsche meer te ontdekken; En, zoo het niet bij wijlen waar Alsof zijn boezem nog van leven werd bewogen, Gij zwoert, die halfgelokene oogen Zijn van de nevelen des grafe reeds overtogen, En worden reeds het licht der eeuwigheid gewaar. Twee mannen staan bij hem. De een, reeds vergrijsd, maar schrander En vastberaden: een gelaat, Waarvan de heugnis nooit ontgaat
Aan wie het eens aanschouwde; - de ander, Een leeuw in volle kracht; een, die zelfs niet verstaat, Dat daar een afstand liggen kan van wil tot daad.
Weêrskanten 't leger staan ze, in sprakelooze smarte, En drukken elk een hand des lijders zich aan 't harte. Dan eindlijk, met een stem, die half in tranen smoort, Neemt de oudere van beiden 't woord:
‘Geen hope meer! 't heeft uitgeblonken, Het helderst licht van Vlaanderland! Koud en gevoelloos reeds is de onvermoeibre hand, Die ons zoo lang het brood des geestes heeft geschonken.... Ja, 'k weet het, Jacob, 'k weet het: moê Van 't wicht der jaren, zat van 't strijden, Maar bovenal verplet door naamloos zielelijden, Staakt gij den dood sinds lang uwe armen smeekend toe. Doch, als gij zalig rust in d'eeuwgen vreê des Heeren, Wie zal, als gij, 's volks hart tot waar- en wijsheid keeren, Wie daaglijks zijnen schat van kennissen vermeeren, Hem 't goede en nuttige beminnen doen en eeren, En 't kwade geeslen met uw scherpe hekelroê?... Hoe grootsch, hoe heerlijk is de take, Die gij vervuld hebt hier beneên!...
Zie, - veertig jaar is 't haast geleên, Maar, of 't van gistren waar, gedenkt mij nog die wake, Op 't Brugsche Weverspand, alwaar ik, jongeling, Meê der Naturen bloem met vader hooren ging. O! treffend was 't om aan te schouwen, Hoe meesters en gezellen daar, Beweegloos, d'adem ingehouen, Te luistren zaten bij malkaâr. Want, wat ze hier aanhooren zouen En was geen logenlijk verhaal,. Geene avonture meer van Karel of den Graal; Hier werd hun 't grootsch tafreel ontvouwen Van al de wondren, die de hand des Heeren wrocht: Van wat daar leeft op aarde, of omzwerft door de locht, Of plast en dartelt in de golven, Of groeit en bloeit, of diep in de aarde ligt bedolven. En ja, dan hoorde ik menig keer, Bij 't huiswaartstrekken, in het duister, Naast mij het diep-ontroerd gefluister: ‘Thans, dat uw schepping ons vertoond werd in haar luister, Bevroed ik eerst hoe groot en goed gij zijt, o Heer!’
‘Nog was 't hem niet genoeg, dat, als met duizend monden, De wondren der natuur den volke God verkondden;
De Heer moest in zijn eigen woord Tot allen spreken, en van allen zijn gehoord. En, zonder 't wraakgeschrei noch de vervolging te achten, Waarmeê vermomde haat en dweepzucht op hem wachtten, Trad hij elk burgershuisgezin, Gods tolk en prediker van deugd en christenmin, Met zijn berijmden Bijbel in.’
- ‘O, spreekt de jongre thans, nog staat het mij voor oogen, Hoe gansch het Dietsche volk hem aan de lippen hing, Zoo dikwijls hij in losse en zwierge dialogen Met zijn getrouwen vriend Martijn aan 't kouten ging. Hier was 't de bron der min, haar zoetheid en haar smarten, Waarvan hij 't spoor zocht tot in 't heimlijkst diep des harten; Daar, stout in 't ongeschapen licht Op vleuglen van den geest gerezen, Schoof hij de sluiers weg van 't ondoorgrondlijk Wezen, Waar de engel voor bezwijmt, en in aanbiddend vreezen Zich vallen laat op 't aangezicht; Of wel, bij d'aanblik van der boozen trots, in woede Losbarstend, vatte hij zijn felle zweep ter hand, En liet haar, klemmend tot den bloede, Den rug doorstriemen der onwaarden, die de schand Van Kerke zijn en Adelstand.
En bij 't meêdoogenloos kastijden, Hoe menig woord, dat zacht 's volks ziele binnengleed, Gelijk een wijnteug haar verkwikkend in haar lijden; Hoe menig, dat er gloeiend heet In nederzonk, - en smeult, om, na verloop van tijden, - Wen 't wrekend uur des rechts ook voor het volk zal slaan, - Verschriklijk daaruit op te gaan!
‘Dan eindlijk, als hij gansch 't verleden, Bezield door zijnen tooverstaf, Heropwekt uit der eeuwen graf, En in den Spiegel der Historie vóor laat treden, Wat schat van lessen voor de toekomst en het heden! Wie, die daar 't menschdom in zijn worstling gadeslaat, Hier, kloek in deugd, en dies op 't noodlot zegepralend, Daar laf gekluisterd aan het kwaad, En immer dieper in den nacht des jammers dalend, Gevoelt niet als een wondren gloed Voor al wat edel is en grootsch in zijn gemoed?
‘Of, waar hij schildert hoe een handvol heldenzielen, Bij uw Thermopylé, o roemrijk Griekenland! De krijgsmacht eener halve waereld tegenhielen, En, min verwonnen dan vermand,
Op bergen lijken nedervielen; Als wij uw bliksemende hand De duizend duizenden, waarmeê de dwingeland Om u te plettren op kwam dagen, Gelijk een mistwolk zien van land en water vagen, Wijl de veroovraar zelf, gebonsd uit zijnen wagen, Zich als een lafaard voort laat jagen, Niets medenemend dan zijn schand: Dan, o! wie voelt zich dan het harte niet ontsteken In heilgen toorn, en zweert niet: wij, Wij willen ook het juk des vreemden dwangs verbreken, Ook Vlaandrens leuze is: dood of vrij!’
Heeft de bezielde stem des jongen mans de boeien Der looden sluimring bij den stervende geslaakt? Het is als ging de golf des levens weêr aan 't vloeien, Als wou de vlam nog eens opflikkren voor 't vergloeien: Zijne oogen zien weêr, hij verroert, hij is ontwaakt!
‘God!’ ruischt het van zijn mond, ‘is 't waarheid, of misleiden De droomen van de koorts nog immer mijn verstand? Mag de arme Jacob, bij 't verscheiden, Zich door den arm gesteund gevoelen dezer beiden, Die de eêlste steun zijn van 't verdrukte Vlaanderland?...
Mijn vrienden, komt, reikt mij de hand.... Ik voel het, zij is daar, de stonde, Waarop mijn ziel dit dal van tranen mag ontvliên: Helpt mij nog eenmaal overeind op mijne sponde, 'k Wil voor een laatsten keer daarbuiten de aarde zien....
‘Wat zonneglans, wat vreê, wat blijheid in dien hemel! Wat sombre treurnis, wat verwoesting daar beneên! Die enkle huizen, droef neêrziende op hoopen steen, Is dat mijn Damme van voorheen, Mijn prachtig Damme, steeds vol vreugd en volksgewemel?... Ons beider lot, eilaas! was een: ook over mij Is ramp bij rampe losgebroken, En in mijn binnenst werd het ook een woestenij, Waar enkel smart en wanhoop spoken.
‘Ik heb de hellicht eener eeuw, Een onweêr op mijn hoofd gedragen, Van laster, haat en wraakgeschreeuw; Maar toch, ik ging mijns weegs, en wist van geen versagen: 't Bewustzijn van mijn grootsche taak Was mij een borstweer tegen laster, haat en wraak. Maar, toen ik d'arbeid van mijn leven, Met eenen enklen bliksemslag,
Tot nietig puin vergruizlen zag; Toen ik dit volk, door mij tot menschlijkheid verheven, En reeds gewend zijn fieren dorst Te laven aan der vrijheid borst, Den kamp met de overmacht des vreemdlings op zag geven; Toen ik uw Leeuw, o Vlaanderland, Moê van te rukken aan de keten, Door Frankrijk om zijn hals gesmeten, Stuiptrekkende, als een hond, zag kruipen aan den band; Toen heeft vertwijfeling mijn gansche ziel bedolven, Gelijk een wassend springgetij; En, met een laatsten vloek ten hemel, heb ik mij Meê laten sleepen in heur golven.
‘Thans echter, o mijn vrienden, thans Zijn, als een nachtmist voor den hellen morgendglans, De wateren der smart op eens van mij getogen; Het is me als drenkte ik mijn gezicht Reeds in den dageraad van 't ongeschapen licht; 'k Gevoel iets, of er om mijn voorhoofd englen vlogen; Mijn vrienden, hoort! want voor mijne oogen Is 't floers der toekomst opgelicht.
‘Daar komt, daar komt zij van het Zuiden afgedreven,
Gelijk een onweêr, traag-voortwentlend over de aard, De krijgsmacht door Filips vergaard.... Hoort Vlaandrens bodem, waar zij aanrolt, hijgend beven! Wie, wie weêrhoudt haar in heur pletterende vaart?... Maar, wat gewriemel allerwegen? 't Volk komt als uit den grond gestegen, Bij 't dondrend: Vlaanderen den Leeuw! God! welk een schok, waar aarde en hemel Bij dreunen!... wat een warrelklomp van stofgewemel, Vol staalgeknetter, hoefgetrappel, doodsgeschreeuw!... Triomf! daar wijken reeds de Gallen! Daar wordt ze in slijk en bloed vertrapt de lelievlag, En Frankrijk telt bij duizendtallen Zijn ridders, hier, o schand! gevallen Voor slachtersbijl en goedendag.... En, God! wie wordt daar, langs het slagveld, op de schilden Gedragen, midden van de Gilden? Gij zijt het, o mijn vrienden, gij! O, wat een glans omstraalt u beiden! Gij mocht ten zegepraal uw broederen geleiden; Gij maaktet uwe Moeder vrij!... Ja, laat uw jubelkreten schallen, O Vlaandren, meld het wijd en zijd: Hier won het volk zijn eersten strijd;
Ontslaving, vrijheid, recht voor allen, Hier werden ze met bloed gedoopt en ingewijd.
‘En eeuwen wentlen voor mijne oogen Daarheen, gelijk een oceaan: De strijd van dom geweld en logen Met recht en waarheid groeit steeds aan. Ziet, hoe het worstelt, hoe het woelt, nu helledonker, Dan overstroomd van lichtgeflonker, Dat weêr terstond in nacht verzinkt; Hoort, hoe bij 't woest geloei der baren, Rood van het bloed der martelaren, Hier troostgezangen, daar vermaledijding klinkt!
‘Kan 't zijn, o God? - daar vliedt het duister! Een nieuwe heilzon klimt aan de onbewolkte sfeer, En giet haar vollen stralenluister Op d'effen stroom der tijden neêr. 't Rijk van gelijkheid, vrijheid, rede, Gaat eindlijk voor de waereld in. Het laatste zwaard, in ploeg hersmeed, doorsnijdt de voren; Geen mijn en dijn laat nog zijn scherpen wanklank hooren; Heel 't menschdom is éen huisgezin, Waar allen, zich het kroost gevoelend éener moeder,
Elkander noemen met den zoeten naam van broeder, En alle wet is opgelost in broedermin!
‘Vergeef, o God van mededoogen, Vergeef mij, zwakken sterveling, Wien enkel hellenacht omving, Zoo 'k in vertwijfling soms het hoofd heb neêrgebogen! Thans dat ik met mijn sterflijke oogen Nog zien mocht wat het eind moet wezen van mijn pogen, Thans zij de laatste kreet van Maerlants ziele: moed! Moed! denkers, dichters, moed! gij allen. Die licht draagt in den geest en in het harte gloed: 't Onzichtbaar zaad van deugd en waarheid, u ontvallen, Wordt eens de reuzeneik misschien, waar duizendtallen Van hymnen uit ten hemel schallen: God leeft, die 't al gedijen doet!’
Cookies on Poetry Cove