IV
De avond valt op de stad, als een lijkwâ, huiveringwekkend, Kil-motregenend neêr. Geen windeken roert er; en, straalde Niet in de diepte der straat, flets-weemlend, de gas door het mistfloers; Zwol en verstierf het gedommel der stad niet bij poozen, gij waandet Onder dit baarkleed slaapt hier alles den sluimer der dooden.
Doch, als een roepstem uit de onpeilbare diepte daarboven, Valt er op eens eene klok aan 't luiden. Er volgt eene tweede, Dan eene derde; en, plots losbarstend uit alle de torens, Klinkt en klangelt het, bomt en bonst, als rolde er een onweêr
Vol hartscheurend geklag en gejammer door 't daavrende donker.
't Zielen-octaaf gaat in; het is heden de tweede November: Plechtige dag, waarop der geloovigen schaar in gebede Liefdrijk hunner gedenkt, die togen ten eeuwigen leven.
Zie! op het plein met het hooge geboomte, dat zich bij de Domkerk Uitstrekt, hoe van al de aanpalende straten de menigt Toestroomt, om, als een meer van spraakloos vlottende schimmen, In 't wijdgapend portaal zich te dompelen en te verdwijnen.
Vol is de kerk, en het lof vangt aan. - O statige tempel!
Waar eene moeder als kind ons leidde, en den Eeuwig-Verborgen', Wiens ontzaglijken naam 't heelal nauw stamelt, ons ‘Vader’ Leerde te noemen, wie kan uwen drempel als man weêr betreden, Zonder dat gansch zijne ziel wordt van heilige siddring bevangen? Ja! want hoe in die ziele ook, onder de waatren des twijfels, 't Zoet, eenvoudig geloove des kinds wegbrokkelende inviel, Hoe op zijn lippen de vlam des gebeds ook smoorde in ontkenning; Toch, toch ademt hij telkens op nieuw, in den geur uwer wanden, Al de geheimenis in, waar zijn kindsheid zoo zalig bij droomde. 't Is als knikten de beelden der Heiligen, de oude bekenden. Weêr met het goud-omwemelde hoofd uit hun nissen hem tegen; 't Is als wiegden er daar weêr engelen onder die bogen,
Op eenen stroom van harpen- getokkel en hemelsche liedren; 't Is als werd hem een zerk van 't harte gewenteld, en ruischte Heel 't blankvleugelig heer van heilige en zoete legenden, Zoo godvruchtig aanhoord bij den haard, en zoo lange vergeten, Eensklaps levend en frisch weêr op in dit harte; het is hem Of hij weêr kind werd, en hoopte, en geloofde als een kind; - en, bewustloos, Vouwt hij de handen, gedenkt zijner moeder, en lispt: ‘Onze Vader!’
't Lof vangt aan. - Op het choor, voor den zwartomsluierden autaar, Tusschen 't getintel der licht- flambeeuwen en 't walmen des wierooks, Rijst, in de handen des priesters, de stralende en flonkrende goudzon Van 't Sacrament plechtstatig omhoog, en zegent de schare,
Die, van den choortrap tot in de diepte der scheemrende beuken, Buigt, als onder den wind van onzichtbaar wuivende wieken.
En, vóor d' altaar, laat nu de priester zich neêr op de knieën, Roerloos, als 't beeld des Gebeds, in de zwaar-goudlakene choorkap.
't Orgel verheft zijne stem op 't hoogzaal. - Reusachtige zanger! Is 't het gevoel, dat daaronder die duizenden harten zoo angstvol Drukt en benauwt, de aanraking van 't eindlooze en eeuwige, wat gij Dronkt in uw koperen borst, en weêr uitstort in uwe akkoorden? Hoor! hoe zijn lied zich sleept en ontrolt als een wolk van geheimnis; Hoe het den tempel vervult met nacht en ontzetting; en, altijd
Zwellend, zijn daavrende ruimte alomme nog schijnt te verruimen! Zie! in het licht, dat zoo spookachtig langs hunne voeten Waggelt en opkruipt, groeien, als 't ware, de zuilen, en beuren Altijd hooger en hooger de scheemrende welfsels de lucht in. ‘De profundis!’ weêrgalmt het; en ijskoud waait door het kerkschip Van daarboven gelijk een adem uit andere sferen, Waar een leger van geesten, ontelbaar als het gebladert, Dat door 't woud in den herfstwind dwarrelt, op neder komt strijken; En, voor de ooren des vleesches onvatbaar, doch voor de ziele Als een verwijderd gegrol van stortende wateren, dreunt het: ‘Hoort gij, menschen! de stemme, die roept uit de donkere diepte?... Wij zijn dooden; en toch wij zijn, wij leven, wij lijden....
Eeuwig is 't leven. De wiege is een graf, en het graf eene wiege. Smart is het zijn in den vleesche, en weedom in 't rijk van de dooden. ‘Broeders! gedenkt toch, gedenkt wie u roept uit de donkere diepte!’ Dan weêr, als maanlichtglans, invallend door stapels van wolken, Lost uit het sombere choor zich bij wijlen eene eenzame stem op. Hier is 't een moeder: ‘Hebt dank, mijne kinderen, dat ge in gebeden Liefdrijk mijns herdenkt! Ja, 'k hoor u, ik ben aan uw zijde. Ja, al kondet gij moeder vergeten, zij blijft u bewaken; Want als het lamplicht, eeuwiglijk barnende, ginds voor den autaar, Zoo is liefde der moeder: geen adem des doods die haar uitbluscht.’ Daar is 't een stemmeken, als kristal zoo helder: ‘O moeder! Waarom blijft ge toch steeds zoo troosteloos weenen om 't kindje,
Dat, met de melk uwer borst op de lippen, tot engeltjen insliep? Weet ge dan niet, hoe de Heer geene hoogere gunst kan verleenen, Dan in het onschuldskleed dus blank en zalig te ontslapen? Kent gij het leven van wee, dat uw lieveling wachtte? en gevoelt gij Niet, dat hij immer uw ziel nog streelend en troostend omfladdert?’ Ginds is 't een klagen, gelijk van den nachtwind tusschen de dennen: ‘O mijn bruidegom! zijt ge dan toch de geliefde vergeten, Dat ge zoo lange, zoo lange uitblijft op de trouwlooze waereld? 't Is op de velden des doods zoo koud, zoo eendig! o kom toch! Of, dat ten minste een zoet “ik min u!” mij arme verkwikke!’ En dan weder het choor van stenen en jammeren: ‘Menschen! Broeders! gedenkt toch, gedenkt wie u roept uit de donkere diepte!’
Huivering is op de schare, alsof ze in iederen aâmteug Doodsmaak proefde. - En het is niet enkel dit plechtig gedenken Van de overledenen, wat in die knielende menigte de eenen Dus met vertwij tienden angst doet staren in 't ijdel, wijl de andren, Hoorbaar nokkend, den vloer van den tempel met tranen besproeien. Neen! elk bracht met zich zijnen rouw of verschrikking ter kerke.
Want de Verdelger, dien God onverwacht soms daagt uit den afgrond, Om, in zijn zondigen trots, aan den mensch zijnen niet te herinnren; 't Spook, dat als bliksemend gif door 's aardbols aderen rondsluipt, En waar 't peistert, zijn spoor afteekent met stapels van lijken:
De ijslijke Cholera streek op de stad, doodzaaiende, neder!
En die weenenden zijn de ontelbren, wien 't monster geliefden Wreed ontscheurde; die angstvol starenden, zij, die zich vragen: Dronk ik zijn pestwalm met dees teug mijns adems in 't hart niet?
Doch ginds, naast dien pilaar, dit meisje, als een roereloos standbeeld, Knielende, deelt die ook in de ontzetting, waar allen van huivren? Zie, in den lichtgloor, dien, van den ijzeren blaker, de roetkaars Uitstraalt onder de kap van heur mantel, dit vaalbleek wezen! Is 't niet, als hoolde de stroom heurer altoos bigglende tranen Reeds die wangen op voorhand uit tot een smartlijk geraamte,
Waar de verlosser, de Dood, nog alleenig een lachje zal spreiden? Hoor, hoe 't schokt en scheurt daarbinnen van 't snikken, terwijl 't haar Fluistrend den lippen ontrolt: ‘O geest mijns zaligen vaders! Zie toch neêr op uw kind, uwe arme, verpletterde Begga!... Alles verlaat en verstoot me: och! maak toch, maak dat de Heere Deernis hebbe met mij.... Zie, over de stad is de Ziekte; Elk roept sidderend: spaar mij, God, van den geesel! - en, vader! Ik, ik smeek u, laat hem mij treffen!... opdat ik van de aarde Weg moog vliegen tot u, en uitweene aan uwen boezem!’
Arme, beklaaglijke weeze!... En wat toch is heur weêrvaren, Dat ze in de ruste van 't graf slechts uitkomst vindt aan heur jammer?
Haar stiefmoeder had, korts na Kennis, zekeren morgend, Onder een stortvloed van aantijgingen, waar ze nog zelfs niet Eenmaal den zin van begreep, haar schandig gejaagd uit heur woning. Gansch ontzind van dien slag, had Begga, in stomme vertwijfling, Uren gedwaald door de stad. Doch eindelijk stortte 't bewustzijn, Dat de verplettrende haat dier vrouwe niet langer haar drukte, Wederom moed en kracht in heur harte: zij huurde eene kamer, En ging dadelijk naar 't facteurshuis arrebeid vragen. Meer dan vriendelijk werd ze er ontvangen door Albert: ‘Wel zeker Hebben wij werk voor u, lief kind!’ zoo loeg hij haar tegen; ‘En, naardien ge voortaan, zoo ge zegt, voor uzelve wilt zorgen,
Zal u een voorschot licht niet onwelkom zijn.’ En hij drukte Haar, met een heimelijk neepjen, een goudstuk tusschen de vingren. Stil eenen dankbaren traan afwisschende, en hemelschen zegen Roepende op 's jongelings hoofd, die zoo kiesch haren nood te gemoet kwam, Zette zij zonder verwijl zich aan d' arbeid, die haar vertrouwd werd, Om hem ter factorij des te eerder voltooid te bestellen. Maar, drie dagen nadien, kwam Albert reeds aan heur kamer Zelf aankloppen. Hij wou, zoo hiet het, eens zien of het kantstuk Goed van der hand ging. En dit bevreemde en ontroerde haar. Echter, Daar hij in 't ouderlijk huis dus ook wel soms in 't voorbijgaan Eventjes aanliep, bande ze ontroering en vrees uit haar ziele. Dan, na 't eerste bezoek kwam spoedig een tweede en een derde;
En nu bleek het haar, dat het heure eer was, die hij belaagde. Vol verontwaardiging wees zij hem af. Hij fleemde, beloofde Weelde en pracht, ja! nam tot schaamtloos geweld zijnen toevlucht; En, als hij eindelijk zag, dat iedere poging vergeefsch was: ‘Nu dan, leef van uw deugd!’ grijnslachte hij; ‘maar geenen steek meer Werkt ge voor ons; en gedenk, gij hoeft van mijn hand een getuigschrift, Wilt ge bij wie het ook zij in de stad patronen bekomen.’ Weken verliepen voor haar sindsdien in klimmende ellende.... Zij heeft honger! de huur van heur kamerken, gistren vervallen, Bleef onbetaald!... waarheen?... wat doen?... O, beklaaglijke weeze!...
Doch reeds sterven de laatste akkoorden des orgels, daarboven,
Traag in de welfselen weg. Het geruisch der vertrekkende menigt Stommelt nog onder 't portaal eene pooze; en het ledige kerkschip Wordt als een graf, vol heilige stilte en balsmende geuren.
Enkel nog Begga zit altoos op 't eigenste plekje Roerloos nedergeknield. - Ontwaart ze dan niet hoe daar ginder De altaarlichten, het een na 't andere, worden gebluscht, en Zwijgende duisternis haar in tastbare wolken omwemelt?
Maar, daar rinkelt op eens, uit de diepte des donkeren zijbeuks 't Schelle geklank eener bel. Een priester, gevolgd van zijn koster, Treedt, in 't witte roket, met de gouden ciborie te voorschijn,
En stapt, links en rechts begeleid van flambeeuwen, de kerk door.
Begga rijst van heur bank, en volgt de berechting naar buiten.
Straat bij straat doorwandelt de stoet, weêrszijden de huizen Met fantastischen glans door den walmenden nevel bestralend. Altijd klingelt de bel, en doet in iedere woning Licht aan venster of deur opdagen, waar knielende schimmen Zich bij zegenen, en met een stil ‘Onze Vader’ den kranke, Welken der stervenden brood door den priester gebracht wordt, gedenken.
Begga volgt nog steeds, als een spook langs de moddrige straten
Voorwaartsslierende. Niets, zoo schijnt het, bemerkt ze, noch vóor zich, Noch aan heur zijde. Alleen, met verglaasde, onbewegelijke oogen, Staart ze op 't eigenste punt in 't peilloos donker, als werd ze Door een onzichtbaren geest slaapwandelend medegetogen.
Eindlijk, de stoet houdt stil, in een kronklende straat, bij een huizing, Wier trapgevel zich flauw uitlost in den rossen flambeeuwgloed. 't Volk uit de buurt snelt toe, wijl de priester de gouden ciborie Zegenend opheft, en met den koster verdwijnt in de huisdeur. ‘Zeg! wie wordt er bediend?’ zoo fluistert eene angstige stemme. ‘Wel,’ dus luidt het bescheed, ‘'t is de weduw van boven haar dochter. Kent ge ze niet? zoo'n zwarte: Coleta.’ - ‘En is 't van de Ziekte?’
- ‘Vast van de Ziekte!... en ja, och arme! het jongsken, haar broêrken Ook al ligt....’ Doch een gil klinkt eensklaps snijdend de straat door, Wijl zich een donkere schim loswoelt uit den hoop, en in huis dringt.
Begga was 't, die het woord ‘van de Ziekte’ en ‘broêrken’ gehoord had.
En daar vliegt ze den trap op, stort in de kamer, en - recht naar 't Kribbeken, waar Klein-Broêrken haar juichend in de arremkens strengelt.
Maar, van het ziekbed, waar ze bij knielde, met hangende haren, Plots rechtspringende, steekt haar de stiefmoêr dreigend de vuist toe: ‘Weg, gij slang! uit mijn huis!’ zoo brult ze. En het jongetje klampt zich
Spartlend aan Begga's hals, wijl 't jammert: ‘mijn Begga! niet weggaan!’ En zij, woedender nog: ‘Hieruit! hieruit!’ en, van achter Grijpt ze de maagd bij de schouders, en rukt, en slingert, en sleurt haar, Tot ze, bezwijmende, rolt, met het knaapjen aan 't hart, voor haar voeten.
Doch, wat nagelt de razende op eens als vast aan den bodem? Zie! daar heft zich de grijze, eerwaerdige priester verschriklijk Op, en, over haar hoofd 't Sacrament uitstekende: ‘Vrouwe!’ Dondert hij, ‘bij dien God, die uw stervende dochter versterkte, Wee u, die uit het huis, waar de Dood komt, liefde durft bannen!’
En, als trof met dit ‘wee’ haar de bliksem des hemels, zij wankelt,
Slaat zich de hand op 't hart, en ploft stuiptrekkend ten gronde.
Gisteren avond werd Coleta ten grave gedragen.... 't Jongsken herstelde, en zit, Goddank! in zijn stoeltje al te spelen.... Doch nu is het de beurte der moeder! De onzichtbare Geesel Sloeg met een enkelen slag haar neêr op het bed, van het doodzweet Harer geliefde nog klam.... Zij sluimert; of haar de Verdelger, Eer hij zijn taak volbrengt, nog eventjes adem liet scheppen. Begga week van haar sponde geen oogwenk. Heimelijk fluistert Daar in haar binnenst een stemme: ‘Geneest ze na zulke beproeving,
Dan zal 't stiefkind, - thans, eilaas! hare eenige dochter! - Licht in 't moederlijk hart wel een plaatsken bekomen!’ En hoopvol Blikt ze de sluimerende aan, niet merkende, dat op dit loodblauw Wezen de ontbinding des grafs alreede is begonnen, niet hoorend, Dat dit gereutel, zoo scherp, zoo kort uit haar gorgel zich scheurend, D' ijslijken arbeid verkondt, die den geest losmaakt van den vleesche.
Eindelijk siddert de veege uit den slaap. Flauw dwalen hare oogen Rond, en vallen op 't kind bij de tafel. Met kreunend gejammer Steekt zij er de armen naar uit. En Begga brengt haar het jongsken, Helpt haar de zeegnende hand op zijn hoofdeken leggen; en snikkend Laat ze op de knieën zich neêr, als bad ze om haar deel in dien zegen.
Doch, het gelaat naar den muur afwendend, en 't bergend in 't laken, Steent in vertwijfling de kranke: ‘Den Kuiper!... ach! zend om den Kuiper!’
Dra komt deze met Frans bij het ziekbed. ‘Vrouwe,’ zoo spreekt hij, ‘Zie, hier sta ik, bereid tot uw dienst. Wat vraagt of belast gij?’ En zij, zich bij die stem overeind optillend in 't leger: ‘Dank, dat gij kwaamt op den roep eener diep misdadige!... Hoort mij! Want mijne stonde genaakt.... Ik haatte dit meisjen.... ik heb haar Schandig belasterd voor u en voor anderen.... Englen des hemels Zijn niet reiner dan zij, dit zweer ik, bij Hem, die mij tuchtigt!... En thans, braven.... en gij.... die ik niet meer dochter durf heeten, Gaat, en laat mij alleen.... met den Dood, en mijn wrekenden Rechter....
Voor wat ik u misdeed zal nauwelijks de eeuwige foltring....’ Doch met een kus sluit Begga heur lippen: ‘De Heere vergeve u, Moeder, gelijk uw kind u vergaf!’ dus nokt ze. - En de moeder Zakt, van heur arm ondersteund, weêr traag op de peuluw. Er schemert Iets als een lach om haar mond; een traan ontrolt haar gebroken Oogen; zij stuiptrekt, snakt nog eens.... en heur strijd is gestreden.
Roerloos zitten een wijl nog allen geknield bij de sponde.... Dan richt de oude zich op, spreidt over de doode het laken, Tilt Klein-Broêrke uit zijn stoeltje in Begga's armen, en leidt haar Met heuren kostbaren last, zachtdwingende, buiten de kamer.
‘Vriend, waar voert ge mij heen?’ dus fluistert ze, wen haar de straatlucht Frisch om het aanzicht waait. En daar strengelt ter linker en rechter Vader en zoon haar zachtjes een arm om de lende; en, terwijl zij Tusschen hen beiden zich voelt meêtroonen naar de andere zijde, Klinkt het als hemelmuziek haar in 't oor: ‘Ons huis wordt het uwe! Kind, hier wacht, zoo ge wilt, u een leven van vrede en van liefde!’
1868.
Cookies on Poetry Cove