Op de wijse van den 38. Psalm Davids. OCh de Vreesen, Suchten, straffen Op mij baffen Mijn hert, tongh' en lichaem lijdt. Wie sal doch de smert doorgronden Die comt wonden Hert, Ziel, Lichaem met veel strijdt ?
I I. Siet, de Vrees mijn ziel benouwet En verflouwet: Want voor ooghen set sij haer De vreese van den bedroefden sondaer, of den oorspronck van de selve.Die vijf Scharen teghenstrijdich, Straf en lijdich, Die mij bringhen s'doodts ghevaer.
I I I. Daer, daer, comt de Wet ghestreken, Om te wreken: De Wet hem voor ooghen stellende.Het Hoofdt is sij van de Schaer ! Mijn sond' en de straf sij toonet Onverschoonet. Twisten can ick niet met haer !
I V. De veelheyt zijner sonden O soo de Wet om een sonde Ghevet wonde, Wonde van het Oordeel strangh; Voor mijn overgroote sonden Niet om gronden Sal mij commen straffe bangh !
V. De grootheyt ende Och soo yder mensch moet suchten Die de vruchten Van Gherechtheydt niet en draeght; Die hier ongherechtigh leven Met recht beven: Sonde maeckt den mensch vertsaeght.
V I. Het Vyer, Donder, schrick, en beven. In mij leven, de straffen der sonden.Als op den Bergh Sina groot:
Cookies on Poetry Cove