Op de wijse, van den 50. Psalm Davids. * DAer ghij doch siet dat Christvs is met mij; Hoe segh ghij noch; gantsch hulpeloos is sij ! Is dan God's handt gheraecket met de * ghicht ?
O Neen: want God die schietet doodes schicht, En dendt naer't graf de gene die mij quellen. Die met God strijdt, die vaeret haest ter * hellen. I I.
Als God de Heer een handt-wijl is verstoor't, Soo woedet ghij, en roepet, Brandt en moort ! * Wat ! uwen mondt van schelden niet wordt moe: Doch ick * versucht, en God mijn claghten doe.
Dan comt God voort, en * groetet u met slaeghen. De Boose moet in't lest God's straffe draeghen. I I I. Wat heeft * Philips mij al verdriets ghedaen ?
Wat heeft Don Ian mij wel * ghecost in traen ? Hoe heeft Duc d'Alb', end' al de Roomsche schaer Ghewoed't op mij [des Heeren * Kerck eerbaer] * Waer zijn sij al ? dat sij hier eens verschijnen.
De Boose moet ghelijck de snee verdwijnen. I V. De Vlote [die den Hemel scheen te sterck] Vol * Reusen wreet, die quam naer mij, de Kerck;
* Elisabeth de weerde Coninghin, Die was verkocht ! * wat ! haer Landt was al in ! Jae in Gods handt, die u maght heeft verslonden ! God helpt sijn Kerck uyt noodt tot allen stonden.
V. Den * Vlaemschen Slagh, die Mauritz Helden eer Noch * heden sloegh, die doet mij * lachen seer. Niet dat ick min dat eenigh mensch vergae;
Maer om dat ghij moet leeren met u schae, Dat God de Heer is stercker dan de slaeven. Het prachtigh volck wordt in het sandt * begraeven.
Cookies on Poetry Cove