Skip to content
1600

Den lvst-hof van de christelicke zielen

Jacobus Viverius

Op de wijse, van den 50. Psalm Davids. VRindinne weerdt, de Boose pochet seer; Doch inder daedt comt hulp van mij, de Heer. * Het schijnet wel dat ick voor eenen tijdt

Dij gantsch verlaet, ellendigh, onverblijdt; Doch in den noodt com ick dij helpen seere. Al s'menschen hulp moet commen van den Heere. I I. Want siet ick ben het * eeuwigh-blijvigh Woordt: Al wat men siet, dat commet door mij voordt: Hoe soude mij de maght ontbreken dan ? Wat mensch sal doen dat ick niet doen en can, Hij comme voordt dat ick van hem magh leeren ? O gheen Maght gaet voor de Maght des Heeren. I I I. * Misschien salstu mij segghen; T'is wel waer, Al wat du wilst, O Heere, dat is daer; Maer mijne * sond mij voor straf vreesen doet ! En spreeck niet soo, Mijn * Tortel duyve soet: Om mijn * ghenaedt sal ick ghenaedigh wesen. Met Christi bloedt wordt sondes wondt genesen I V. * Eer sal de Son, O Lief, * onlichtigh zijn; Eer sal de Maen die vol is derven schijn; Eer sal het Vier sijn' hitte worden quijt; Dan dat ick dij sou laeten onverblijt. Dus vast betrouw' op mijn * barmhertigheden. Voorwaer gheen goedt en gaet voor God's goetheden. V. O lachet nu die God van herten mint, Dat Godes volck voor God ghenaede vint ! En du, Nassouw', * ghebruyckt wel mijn ghenaedt: Het goet * misbruyckt dat doet den mensche quaedt: Maer ick weet wel dat elck een mij sal loven. Elck love God hier end' in s'Hemels Hoven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.