[Troostelicke Antwoorde des H.Gheestes]
Goede hope smoort gheclagh.
V I I. Rvst-stede.
X X X V I I I. Hoe de straf dij hier meer quellet En ontstellet, Hoe dij naemaels naeckt meer vreught, O de baen is wonder nouwe, Rijck van rouwe, Die u brenght tot God's gheneught.
X X X I X. Rijckdom ende aermoedt mede Op een stede Van het Lam ghestellet zijn: Godes seghen rijcke maecket Die seer haecket Naer s'Lams goedt, vlied't aermoeds pijn.
X L. O gheluckigh die hier lijdet Ende strijdet Voor God's eere en Kerck, Siet ! een uyrken magh hij lijden; Doch verblijden Dat altijdt blijft maeckt hem sterck.
X L I. God can tonghen wel bedwinghen Ende ringhen; Doch hij doet het t'zijner tijdt: Hij wilt dat wij schelden hooren Sonder stooren. Wel de mensche die wel lijdt.
X L I I. O dijn lichaem vol versnooden Moetmen dooden Met sieckt end' ellende groot. Siet ! het broosche vleys moet sterven, Om te derven Door een doodt de tweede doot !
X L I I I. God sal vreesen, suchten, straffen Haest wegh schaffen: Van God salstu zijn behoedt. Noch een uyrken, t'hert bedroevet, Zij beproevet: Smert is nut voor vleysch en bloedt.
Cookies on Poetry Cove